Het begon met een zin die ik zelf uitsprak en meteen terug had willen slikken. Iemand aan tafel vertelde iets — iets dat er echt toe deed, over haar vader — en ik zei: ‘sorry, wat zei je?’
Ik had mijn telefoon niet eens vast. Hij lag naast mijn bord, scherm naar beneden, braaf. Maar er was iets binnengekomen, het schermpje had heel even opgelicht, en mijn hoofd was daar vijf seconden naartoe gegaan. Vijf seconden waarin ze het belangrijkste stuk vertelde.
Ik heb toen besloten: één zomer lang gaat die telefoon aan tafel weg. Niet omgedraaid, niet op stil. Wég, in een lade in de gang. Dit is wat er gebeurde, en ook wat er nÃet gebeurde.
Hoe erg is het eigenlijk?
Eerst even de omvang, want ik dacht dat ik een lichte gebruiker was.
Uit de jaarlijkse digimeter van imec, met drieduizend bevraagde Vlamingen, blijkt dat we gemiddeld 183 minuten per dag op onze smartphone zitten. Ruim drie uur. Verdeeld over 81 aparte sessies per dag.
Dat laatste getal is het getal dat mij raakte. Niet drie uur aan één stuk — 81 keer. Eenentachtig keer per dag stopt er iets en begint er iets anders. Je hoofd is de hele dag aan het schakelen als een oude versnellingsbak.
En het is niet dat we het niet doorhebben: 46 procent van de Vlamingen vindt zelf dat ze hun telefoon te veel gebruiken, tegenover 31 procent in 2018. We weten het. We doen het toch.
Wat er de eerste week gebeurde
Eerlijk? De eerste dagen was het vooral irritant. Ik zocht drie keer per maaltijd naar iets dat er niet lag, zoals je met je tong blijft zoeken naar een tand die getrokken is.
Er was ook een concreet ongemak dat ik niet had voorzien: de kleine vragen. Hoe heet die acteur ook alweer. Wanneer is dat restaurant open. Wat was het adres. Die vragen bleven nu gewoon hangen, onbeantwoord, midden op tafel.
En toen merkte ik iets dat ik echt niet had zien aankomen. Die onbeantwoorde vragen bleken de betere gesprekken op te leveren. Als niemand het meteen kan opzoeken, ga je erover praten. Je gokt, je herinnert je iets, iemand vertelt een verhaal dat er zijdelings mee te maken heeft. Het antwoord doet er dan niet meer toe.
Google beëindigt gesprekken. Dat had ik nooit zo bekeken.
Maar klopt het wel, dat een telefoon op tafel je gesprek verpest?
En hier moet ik iets toegeven wat mijn eigen verhaal een beetje ondermijnt, maar ik vind het te interessant om weg te laten.
Het idee dat de blote áánwezigheid van een telefoon op tafel je gesprek al schaadt, komt uit een bekend onderzoek uit 2013. Twee experimenten, met 74 en 68 deelnemers. Alleen al een gsm op tafel — versus een notitieboekje — verlaagde het gevoel van nabijheid en de kwaliteit van het gesprek, vooral wanneer mensen over iets persoonlijks praatten. Dat resultaat is duizenden keren geciteerd. Ik heb het zelf ook geloofd.
In 2021 probeerden onderzoekers het over te doen, met 356 deelnemers in 136 groepen. Het lukte niet. Geen verschil in nabijheid, vertrouwen, empathie of verbondenheid.
En twee meta-analyses, samen goed voor 43 studies en ruim achtduizend deelnemers, kwamen tot dezelfde slotsom: het effect van louter aanwezigheid is statistisch niet te onderscheiden van nul. De onderzoekers opperen zelf dat telefoons intussen zo vanzelfsprekend zijn geworden dat we ze gewoon niet meer opmerken.
Dat vond ik ongemakkelijk om te lezen, want het is precies het idee waarop ik mijn hele experiment had gebouwd.
Wat wél overeind blijft: eraan zitten
Maar diezelfde meta-analyses laten iets anders wél overeind, en dan met stevige cijfers. Effectief naar je telefoon grijpen tijdens een gesprek — phubbing, in het jargon — hangt duidelijk samen met slechtere gesprekken en minder verbondenheid.
Het onderscheid is dus scherper dan ik dacht. Een telefoon die daar ligt, doet weinig. Een telefoon die je oppakt, doet veel.
En dat sluit naadloos aan bij wat ik zelf ervoer. Mijn probleem was nooit dat het toestel op tafel lag. Mijn probleem was dat het oplichtte en dat ik keek.
Onderzoek naar koppels wijst in dezelfde richting: in een studie waarin de partner-phubbingschaal werd ontwikkeld, gaf zeventig procent van de bevraagden aan dat gsm’s soms tot altijd de interactie met hun partner verstoorden. Dat is geen bewijs van oorzaak en gevolg — het is één meetmoment, met zelfrapportage — maar zeventig procent is wel een cijfer dat blijft hangen.
Wat afleiding met je eten doet
Er is nog een tweede spoor, en daar is het bewijs een stuk harder dan bij de gesprekken.
Een analyse van 24 experimentele studies keek naar wat afleiding doet met hoeveel je eet. Wie afgeleid at, at op dat moment meer. Maar het opvallendste is wat er dáárna gebeurde: bij de volgende maaltijd aten ze nóg meer, en dat effect was groter dan het directe.
En omgekeerd werkt het ook. Wanneer onderzoekers deelnemers hielpen om zich beter te herinneren wat ze eerder gegeten hadden, aten ze bij de volgende maaltijd minder.
Daar zit de kern in: je verzadiging is niet alleen een kwestie van je maag, maar ook van je geheugen. Een maaltijd die je niet echt hebt meegemaakt, telt half. Je lichaam heeft gegeten, je hoofd niet.
Ik heb dat zelf gemerkt op een manier die ik niet had verwacht. Ik at niet minder deze zomer. Maar ik wist ’s avonds nog wát ik gegeten had. Dat klinkt banaal tot je beseft hoe vaak dat vroeger niet zo was.
En de gezinstafel?
Voor wie kinderen heeft, is er nog een reden, al moet ik ook daar de nuance meegeven.
Een overzicht van alle bestaande reviews over gezinsmaaltijden vond consistente verbanden: gezinnen die vaker samen eten, hebben kinderen met betere voeding, een hoger zelfbeeld, minder depressieve klachten en minder verstoord eetgedrag. Dat klinkt indrukwekkend.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat onderzoek grotendeels cross-sectioneel is. Gezinnen die vaak samen eten, verschillen ook op andere manieren van gezinnen die dat niet doen, en het is niet zo dat je die uitkomsten koopt door drie keer per week samen aan tafel te schuiven.
Maar één bevinding uit datzelfde overzicht vond ik veelzeggend: meerdere reviews stelden vast dat een aanstaande televisie de voordelen van de gezinsmaaltijd grotendeels tenietdeed. Het gaat dus niet om samen zÃtten. Het gaat om samen aandacht hebben. En een scherm — welk scherm dan ook — is precies wat die aandacht wegneemt.
Hoe je het volhoudt zonder er een regel van te maken
Wat bij mij werkte, was niet discipline maar afstand. Zolang het toestel binnen handbereik lag, was het een kwestie van tijd. Zodra hij in een lade in de gang lag, was de drempel groot genoeg.
Twee dingen die ook hielpen. Eén: ik heb het aangekondigd in plaats van het stiekem te doen. ‘Ik leg mijn gsm weg tijdens het eten’ klinkt belerend, maar als je erbij zegt waaróm — omdat je iemand niet goed had gehoord — wordt het een verhaal in plaats van een regel. Bij ons legde binnen twee weken iedereen zijn toestel weg, zonder dat ik er ooit om gevraagd heb.
Twee: ik heb het niet uitgebreid. Geen digitale detox, geen schermvrije zondagen, geen app die me berispt. Alleen die twintig minuten aan tafel. Iets kleins dat je volhoudt, is meer waard dan iets groots dat je opgeeft.
En nee, ik ben niet iemand geworden die geen telefoon meer gebruikt. Ik zit nog altijd ergens rond die drie uur per dag. Maar er zijn nu drie keer twintig minuten per dag waarop ik er echt bij ben.
Wat er eigenlijk veranderde
Ik was op zoek naar iets groots. Meer rust, betere relaties, een dieper leven — het soort belofte dat je op de achterflap van een boek leest.
Wat ik kreeg was veel kleiner en veel bruikbaarder. Ik hoorde de tweede helft van de zinnen. Ik wist ’s avonds nog wat ik gegeten had. En ik ontdekte dat een vraag die niemand kan opzoeken, vaak de beste vraag van de avond is.
De telefoon is het probleem niet. De reflex is het probleem: dat schouderklopje van dopamine elke keer als het schermpje oplicht.
Een maaltijd duurt twintig minuten. Er is niets in die twintig minuten dat niet kan wachten. En de persoon tegenover je vertelt misschien net dat ene stuk dat je niet mag missen.
Bronnen
- imec.digimeter 2025, mediagebruik in Vlaanderen — https://www.imec.be/nl/kennisuitwisseling/techmeters/digimeter/imecdigimeter-2025
- Przybylski & Weinstein (2013), Can you connect with me now? Journal of Social and Personal Relationships — https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/0265407512453827
- Linares & Sellier (2021), How bad is the mere presence of a phone? A replication of Przybylski and Weinstein (2013), PLOS ONE — https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371%2Fjournal.pone.0251451
- Courtright & Caplan (2020), Two Meta-Analyses of Mobile Phone Use and Presence, Human Communication & Technology — https://journals.ku.edu/hct/article/download/13412/13306/29883
- Misra, Cheng, Genevie & Yuan (2016), The iPhone Effect, Environment and Behavior — https://journals.sagepub.com/doi/abs/10.1177/0013916514539755
- Roberts & David over partner phubbing, Baylor University — https://kellercenter.hankamer.baylor.edu/news/story/2017/partner-phubbing-how-cell-phones-impact-romantic-partnerships
- Robinson et al. (2013), Eating attentively: a systematic review and meta-analysis, American Journal of Clinical Nutrition — https://www.spcr.nihr.ac.uk/publications/eating-attentively-a-systematic-review-and-meta-analysis-of-the-effect-of-food-intake-memory-and-awareness-on-eating-1
- Harvey & Snuggs (2023), Family Mealtimes: A Systematic Umbrella Review, Nutrients — https://www.mdpi.com/2072-6643/15/13/2841
- Sciensano (2025), Nationale gezondheidsenquête: we kijken véél naar schermen — https://www.sciensano.be/nl/pershoek/nationale-gezondheidsenquete-we-roken-minder-en-bewegen-meer-maar-kijken-veel-naar-schermen


