Perimenopauze: waarom het vaak tien jaar vroeger begint dan je denkt

Leestips

Evelien
Evelien
Evelien is een enthousiaste health blogger met een diepgewortelde passie voor alles wat met welzijn te maken heeft. Met haar deskundige advies inspireert ze dagelijks haar volgers om hun gezondheid op de eerste plaats te zetten. Evelien gelooft in de kracht van natuurlijke voeding en beweging als de sleutel tot een energiek en harmonieus leven.

Toen onderzoekers 696 Belgische vrouwen tussen 45 en 60 vroegen hoelang de overgang volgens hen duurt, dacht 61 procent dat het iets tijdelijks was. Zeventien procent gokte op één tot twee jaar. Vierenveertig procent op drie tot vijf.

De mediane duur van frequente opvliegers alleen al is 7,4 jaar. En de eerste veranderingen beginnen bij een deel van de vrouwen ruim vóór er ook maar één opvlieger is geweest.

Dat verschil tussen wat vrouwen verwachten en wat er werkelijk gebeurt, verklaart veel. Waarom je op je tweeënveertigste niet aan de overgang denkt als je slecht slaapt. Waarom je huisarts het misschien ook niet doet. En waarom veertig procent van de Belgische vrouwen met meerdere klachten uiteindelijk helemaal niets krijgt.

Wat perimenopauze precies is

De begrippen worden door elkaar gehaald, dus even scherpstellen.

De menopauze is één dag: de laatste menstruatie. Je weet pas achteraf dat die het was, want de definitie luidt dat er twaalf maanden geen menstruatie meer volgde. In België valt die dag gemiddeld rond je eenenvijftigste, met een normale spreiding tussen 45 en 55 jaar.

De perimenopauze is alles wat daaraan voorafgaat plus die twaalf maanden erna. Het is de fase waarin je eierstokken onregelmatig gaan werken en je hormonen niet geleidelijk dalen, maar schommelen — soms hoger dan ooit, soms veel lager, van cyclus tot cyclus.

Dat laatste is belangrijk. Mensen stellen zich de overgang voor als een helling naar beneden. In werkelijkheid is het meer een kapotte thermostaat: hij slaat te hard aan en dan weer helemaal niet, en dat is precies wat de klachten veroorzaakt.

Waarom het vroeger begint dan je denkt

De internationale stadiëring die artsen gebruiken, kent een fase die vrijwel niemand herkent. Vóór je cyclus onregelmatig wordt, wordt hij eerst korter. Wie altijd achtentwintig dagen had en nu op vijfentwintig zit, zit al in een vroeg stadium van ovariële veroudering — met een volstrekt regelmatige cyclus.

Pas daarna komt het criterium dat als het echte begin van de perimenopauze geldt: een blijvend verschil van zeven dagen of meer tussen opeenvolgende cycli. Dat is concreet en zelf te controleren. Als je cyclus de ene keer zesentwintig dagen duurt en de volgende keer vijfendertig, is dat geen toeval.

En dan is er een bevinding uit de grote Amerikaanse SWAN-studie die het hele plaatje kantelt. Onderzoekers volgden 1.145 vrouwen en keken hoelang hun overgang duurde. Bij wie er vroeg aan begon, duurde de transitie mediaan 8,57 jaar. Bij wie er laat aan begon, 4,37 jaar.

Vroeg beginnen betekent dus ook langer bezig zijn. Dubbel nadeel. Reken achteruit vanaf een menopauze op eenenvijftig en je komt uit rond je tweeënveertigste. Bij een menopauze op zevenenveertig — nog altijd volledig binnen de normale spreiding — kom je uit op achtendertig.

Ik wil hier wel eerlijk zijn over wat dit níét betekent. Er bestaat geen onderzoek dat aantoont dat de méérderheid van de vrouwen eind dertig klachten heeft. Wat er wél is: bij een aanzienlijke minderheid begint het daar, en de biologische veroudering van de eierstokken loopt bij iedereen ruim voor op de symptomen.

Voor een kleine groep begint het nog vroeger. Primaire ovariële insufficiëntie — het wegvallen van de eierstokfunctie vóór veertig jaar — treft naar schatting één tot drieënhalf procent van de vrouwen. Voor die groep gelden andere regels: hormoontherapie wordt daar aanbevolen tot de gebruikelijke leeftijd van de menopauze, en de afweging is er een totaal andere.

Hoelang duurt het dan wel?

De beste cijfers komen uit SWAN, waarin 1.449 vrouwen met frequente opvliegers jarenlang werden gevolgd.

De mediane duur van frequente opvliegers en nachtzweten was 7,4 jaar. Na de laatste menstruatie hielden ze mediaan nog 4,5 jaar aan.

Maar het gemiddelde verbergt de spreiding, en die is enorm. Vrouwen bij wie de opvliegers al begonnen toen ze nog gewoon menstrueerden, hadden er mediaan meer dan 11,8 jaar last van. Vrouwen bij wie ze pas ná de menopauze begonnen: 3,4 jaar.

Er waren ook duidelijke verschillen tussen bevolkingsgroepen, van gemiddeld 4,8 jaar bij Japanse vrouwen tot 10,1 jaar bij Afro-Amerikaanse vrouwen.

Kortom: als iemand je vertelt dat het “een jaar of twee” duurt, klopt dat voor bijna niemand.

De klachten die niemand met de overgang verbindt

Opvliegers zijn het bekendste symptoom en tegelijk niet het meest ontwrichtende. Dit is wat er nog gebeurt, met de cijfers erbij.

Slaap. Zelfgerapporteerde slaapproblemen stijgen van ongeveer 31 procent in de late vruchtbare fase naar 40 tot 56 procent tijdens en na de overgang. Ongeveer een kwart van de perimenopauzale vrouwen voldoet aan een diagnose van insomnia. Vooral doorslapen is het probleem.

Stemming. Een systematische review uit 2024 met zeven studies en ruim 9.000 vrouwen vond dat het risico op depressie tijdens de perimenopauze veertig procent hoger ligt dan ervoor. Na de menopauze was er geen aantoonbaar verhoogd risico meer. Let op: je leest vaak dat de kans “twee tot vier keer” hoger zou zijn — dat komt uit de kleinste studies. De gepoolde schatting is veertig procent.

Concentratie. De beruchte brain fog is meetbaar. Tijdens de perimenopauze bleef in onderzoek de normale leercurve uit: waar vrouwen anders beter worden bij herhaling van een geheugentest, gebeurde dat tijdens de overgang niet. En nu het geruststellende deel, dat veel te weinig verteld wordt: het effect is tijdelijk. In de vroege postmenopauze kwam die verbetering terug. Brain fog is geen voorbode van dementie.

Gewrichten en spieren. Meer dan zeventig procent van de vrouwen krijgt er last van, en ongeveer een kwart wordt erdoor gehinderd. Dat cijfer komt uit een overzichtsartikel en niet uit een meta-analyse, dus neem het als orde van grootte. Maar de stijve schouder of de pijnlijke handen op je vijfenveertigste zijn geen slijtage die uit de lucht komt vallen.

Migraine. Bij vrouwen die al migraine hadden, verergert die specifiek tijdens de láte perimenopauze — de fase waarin je twee maanden of langer geen menstruatie hebt.

En dan het symptoom dat het minst besproken wordt en het meest onderbehandeld blijft: het genito-urinair syndroom. Vaginale droogte, pijn bij seks, terugkerende blaasontstekingen, urineklachten. Veertig tot zestig procent van de postmenopauzale vrouwen krijgt ermee te maken. In een enquête onder 3.520 vrouwen legde slechts vier procent zelf de link met oestrogeen.

Dit is het enige symptoom waarvan je moet weten dat het níét vanzelf overgaat. Opvliegers doven na verloop van jaren uit. Deze weefselveranderingen zijn progressief en worden zonder behandeling erger. Er is een eenvoudige, lokale behandeling voor met een lage dosis oestrogeen, die zelfs buiten de hele borstkankerdiscussie valt. Praat erover met je huisarts, hoe ongemakkelijk dat gesprek ook lijkt.

Blood test

Waarom een bloedtest meestal niets oplevert

Een van de meest gestelde vragen, en het antwoord verrast bijna iedereen.

De Britse richtlijn NICE stelt dat je bij vrouwen boven de vijfenveertig met typische klachten de diagnose gewoon op de symptomen stelt. Géén bloedtest. Geen AMH, geen oestradiol, geen antrale follikeltelling, geen echografie van de eierstokken.

De reden is simpel: je hormonen schommelen tijdens de perimenopauze zó sterk van dag tot dag dat één meting je niets vertelt. Een normale uitslag sluit niets uit, een afwijkende uitslag bevestigt niets.

Alleen tussen veertig en vijfenveertig jaar met klachten, of bij een vermoeden onder de veertig, heeft een FSH-bepaling zin.

Speekseltests voor hormonen, die commercieel druk gepromoot worden, hebben helemaal geen plaats. De Amerikaanse gynaecologenvereniging is er expliciet over: de gegevens over hoe je zulke uitslagen zou moeten interpreteren zijn beperkt, en het wordt niet aanbevolen.

Wat er in 2002 is misgelopen

Om te begrijpen waarom er over hormoontherapie zoveel angst bestaat, moet je één zomer kennen.

Op 9 juli 2002 werd een arm van de Women’s Health Initiative-studie vroegtijdig stopgezet. Het nieuws ging de wereld rond: hormonen verhoogden het risico op borstkanker met 26 procent en op beroerte met 41 procent.

Wat er in absolute cijfers stond, haalde het nieuws niet. Per 10.000 vrouwen per jaar ging het om acht extra gevallen van borstkanker, zeven extra gevallen van hartziekte, acht extra beroertes en acht extra longembolen — en om zes gevallen minder darmkanker en vijf heupfracturen minder. Acht per 10.000 is minder dan één op duizend per jaar.

De totale sterfte veranderde niet. De hazard ratio was 0,98.

En er is een detail dat vrijwel nooit geciteerd wordt. De studie testte veel uitkomsten tegelijk, en wanneer je daarvoor corrigeert — wat statistisch hoort — waren borstkanker, hartziekte, beroerte én longembolie geen van alle nog statistisch significant.

Daarbij kwamen drie problemen met de opzet. De deelneemsters waren gemiddeld 63,3 jaar oud, tot 79 jaar, en vaak tien tot vijfentwintig jaar postmenopauzaal. De studie was opgezet als preventieonderzoek bij oudere vrouwen, niet als behandelonderzoek bij vijftigers met opvliegers. En de gebruikte hormonen — orale paardenoestrogenen met medroxyprogesteronacetaat — zijn niet wat er vandaag in Vlaanderen wordt voorgeschreven.

De gevolgen waren enorm. In Limburg alleen al daalde de verkoop van hormoontherapie tussen 2002 en 2006 met eenenveertig procent. Een hele generatie vrouwen kreeg geen behandeling voor klachten die jaren aanhielden.

Wat we intussen weten

De deelneemsters van de WHI zijn achttien jaar gevolgd. In 2017 verscheen de analyse van de sterfte: geen enkel verschil tussen de hormoongroep en de placebogroep. Bij de vrouwen die tussen 50 en 59 waren bij de start, lag de sterfte tijdens de behandelperiode zelfs lager.

Een grote heranalyse uit 2024 legt de leeftijdsgradiënt bloot. Bij vrouwen van 50 tot 59 gaat het om twaalf extra ongunstige gebeurtenissen per 10.000 vrouwen per jaar. Bij vrouwen van 70 tot 79 om achtendertig. Voor vrouwen met een baarmoederverwijdering die alleen oestrogeen kregen, waren er bij 50 tot 59 jaar zelfs negentien gebeurtenissen minder per 10.000.

De huidige positie van de richtlijnen is daarop gebaseerd. Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie, overgenomen door Domus Medica in januari 2025, stelt dat hormoontherapie de meest effectieve behandeling is voor ernstige vasomotore klachten, dat je zo snel mogelijk na de menopauze en vóór zestig jaar start, en — dit is praktisch belangrijk — dat de transdermale toediening via pleister of gel de voorkeur verdient omdat die het risico op trombose en beroerte niet verhoogt, in tegenstelling tot tabletten.

Wie nog een baarmoeder heeft, moet oestrogeen altijd combineren met een progestageen. Zonder die combinatie stijgt het risico op baarmoederkanker fors.

Even duidelijk is wat de richtlijnen níét zeggen. Hormoontherapie is geen middel om hart- en vaatziekten of dementie te voorkomen. Dat wordt door NICE, door de BCFI en door de onderzoekers zelf expliciet afgeraden. En er zijn reële contra-indicaties. Dit is een gesprek met je arts, geen keuze die je online maakt.

Hoe groot is het borstkankerrisico echt?

De beste cijfers komen uit een analyse van 58 studies met bijna 144.000 vrouwen met borstkanker.

Vertaald naar absolute aantallen, voor wie op haar vijftigste vijf jaar hormoontherapie gebruikt, gemeten over twintig jaar: bij oestrogeen met dagelijks progestageen gaat het om één extra geval van borstkanker per vijftig gebruiksters. Bij een intermitterend schema om één per zeventig. Bij oestrogeen alleen om één per tweehonderd. Bij vaginale oestrogenen is er geen verhoogd risico.

Dat is een reëel risico. Het is geen verwaarloosbaar risico. Maar het is ook iets heel anders dan wat de meeste vrouwen in hun hoofd hebben, en het moet afgewogen worden tegen zeven jaar slecht slapen.

Wat werkt zonder hormonen

Voor wie geen hormonen wil of kan nemen, is er meer dan vroeger.

Cognitieve gedragstherapie wordt door NICE aangeraden bij hinderlijke opvliegers, en door de Amerikaanse Menopause Society ingedeeld bij het hoogste bewijsniveau. Met één nuance die je zelden leest: in de onderzoeken was de uitkomstmaat hoezeer vrouwen de opvliegers als een probleem ervoeren, niet hoe vaak ze optraden. CBT verandert de impact, niet noodzakelijk het aantal. Dat is waardevol, maar het is iets anders dan wat mensen verwachten.

Er is ook een nieuwe geneesmiddelenklasse. Fezolinetant is sinds juni 2024 in België beschikbaar en vermindert opvliegers met ongeveer twee tot drie per dag meer dan placebo. Belangrijk om te weten: het Europees Geneesmiddelenbureau gaf eind 2024 een waarschuwing voor leverschade. Er is een leverfunctietest nodig vóór de start en daarna maandelijks in de eerste drie maanden. In juni 2024 kostte het 64,51 euro per maand en was het niet terugbetaald — check die status, want dat kan intussen veranderd zijn. En het is nooit rechtstreeks vergeleken met hormoontherapie. Elinzanetant, een verwant middel, werd in november 2025 in Europa goedgekeurd, ook voor vrouwen met opvliegers door hormoontherapie bij borstkanker.

Bepaalde antidepressiva uit de SSRI- en SNRI-groep en gabapentine werken aantoonbaar tegen opvliegers. Hier verschillen de richtlijnen onderling: de Menopause Society zet ze bij de aanbevolen opties, terwijl NICE ze niet routinematig als eerste keuze aanraadt wanneer het uitsluitend om opvliegers gaat. Geen tegenspraak in het bewijs, wel in de plaatsbepaling.

Wat niet werkt, en wat vooral geld kost

Hier wordt het pijnlijk, want dit is het schap waar de meeste vrouwen als eerste naartoe gaan.

Zwarte cohosh: een Cochrane-review van zestien studies met ruim 2.000 vrouwen vond een gemiddeld verschil van 0,07 opvliegers per dag ten opzichte van placebo. Dat is nul.

Fyto-oestrogenen en soja: een Cochrane-review van 43 studies met ruim 4.000 vrouwen vond geen sluitend bewijs. Alleen hooggedoseerde genisteïne week af. En uit diezelfde review komt het cijfer dat alles verklaart: het placebo-effect verminderde de opvliegers in de verschillende studies met één tot negenenvijftig procent. Daarom “werkt” bijna elk supplement in de ervaring van individuele gebruiksters.

Verder staan op de lijst van niet-aanbevolen middelen onder meer teunisbloemolie, rode klaver, dong quai, maca, ginseng, wilde yam, monnikspeper, omega 3 en vitamine E.

Eén onderscheid dat commercieel bewust vertroebeld wordt: “bio-identiek” en “samengesteld” zijn niet hetzelfde. Bio-identiek 17-bèta-oestradiol in een pleister of gel is gewoon een geregistreerd geneesmiddel met kwaliteitscontrole. Het bezwaar van de gynaecologenverenigingen geldt de op maat samengestelde bereidingen uit bereidingsapotheken, vaak verkocht in combinatie met speekseltests: die missen kwaliteitscontrole, de dosering varieert, en bijwerkingen hoeven niet gemeld te worden.

En dan testosteron, dat online steeds vaker wordt aangeprezen tegen vermoeidheid en brain fog. De internationale consensusverklaring is daar ondubbelzinnig over: de enige onderbouwde indicatie is verminderd seksueel verlangen na de menopauze. Voor cognitie, botten, stemming of energie is er geen bewijs.

Beweging helpt niet tegen opvliegers. Beweeg toch.

Dit is de nuance die in vrijwel elk artikel over dit onderwerp verkeerd gaat.

Een Cochrane-review van vijf studies met 733 vrouwen vond geen enkel verschil in frequentie of intensiteit van opvliegers tussen vrouwen die bewogen en vrouwen die dat niet deden. In de ene studie die beweging met hormoontherapie vergeleek, had de hormoongroep bijna zes opvliegers per etmaal minder.

Beweging is dus geen behandeling voor opvliegers. Punt.

Maar ze blijft wél de eerste aanbeveling voor je slaap, je stemming, je spiermassa, je botten en je hart — precies de dingen die tijdens deze fase onder druk komen te staan. Beide dingen zijn tegelijk waar.

Waar leefstijl wél rechtstreeks samenhangt met de ernst van de opvliegers, is bij gewicht en roken. In een analyse van acht cohorten met ruim 21.000 vrouwen hadden vrouwen met obesitas ongeveer zestig procent meer kans op frequente of ernstige opvliegers, rooksters ruim tachtig procent meer, en de combinatie van beide verdrievoudigde de kans. Ex-rooksters verschilden niet significant van vrouwen die nooit gerookt hadden.

Je botten beginnen af te bouwen vóór je laatste menstruatie

Nog een reden waarom “wachten tot het voorbij is” een slecht plan is.

De fase van versneld botverlies begint ongeveer één jaar vóór je laatste menstruatie en duurt zo’n drie jaar. In die periode verlies je gemiddeld ongeveer twee procent botdichtheid per jaar. Over tien jaar komt dat neer op ongeveer tien procent, en het verlies is groter in de wervelkolom dan in de heup.

Dat betekent dat de belangrijkste jaren voor je botten precies de jaren zijn waarin je nog niet officieel in de menopauze bent, en waarin niemand je een botmeting aanbiedt. Krachttraining, voldoende eiwit, calcium en vitamine D horen daar dus niet thuis vanaf je zestigste, maar vanaf je vijfenveertigste.

Praat erover, ook op het werk

Onderzoek van Securex en de Universiteit Gent bij 2.408 Belgische vrouwen liet zien dat 87,6 procent nu of in het verleden met overgangsklachten kampte, en dat 55,3 procent daar hinder van ondervond bij het werk.

Slechts 12,5 procent durfde het onderwerp op het werk ter sprake te brengen. Meer dan 914.000 vrouwen in België zijn vijfenveertig of ouder.

Wat me daarin het meest opviel: vrouwen die er wél over spraken, hadden ongeveer half zoveel kans op verhoogde herstelbehoefte of burn-outverschijnselen. Dat is geen bewijs van oorzaak en gevolg, maar het is een opvallend verband.

Je hoeft dit niet uit te zitten

Het grootste probleem met de overgang is niet de overgang. Het is dat vrouwen denken dat het twee jaar duurt, dat ze het moeten uitzitten, en dat behandelen gevaarlijk is — en dat elk van die drie overtuigingen niet klopt.

Wat je hieruit mag meenemen is eenvoudig. Als je begin veertig bent en je cyclus verandert, is dat waarschijnlijk geen toeval. Als je klachten hebt, is er geen bloedtest voor nodig om ze serieus te nemen. Er bestaan behandelingen die werken, met risico’s die reëel maar klein en bespreekbaar zijn. En de meeste dingen die in de winkelrekken staan, doen niets.

Dit artikel vervangt geen gesprek met je huisarts of gynaecoloog. Maar het kan er wel een beter gesprek van maken.

Bronnen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Gerelateerde artikelen