Iemand vertelde me dat het rond je vijftigste vanzelf beter wordt. Klopt dat?

Leestips

Elke
Elke
Elke is een gepassioneerde gezondheidsblogger met een diepgewortelde interesse in mentale gezondheid, spiritualiteit en psychologie. Op het platform "Bye Bye Cheeseburger" deelt Elke regelmatig haar expertise als gastblogger. Haar stukken richten zich op de verbanden tussen mentale gezondheid en spiritualiteit, en hoe deze aspecten ons dagelijks leven beïnvloeden. Elke gelooft sterk in een holistische benadering van welzijn, waarbij lichaam, geest en ziel in harmonie moeten zijn om echt gelukkig en gezond te zijn.

Het was op een verjaardag, ergens tussen de taart en de jassen. Een vrouw die ik nauwelijks kende zei het tegen iemand anders, en ik hoorde het per ongeluk mee: “Het wordt beter, hoor. Ik heb ergens gelezen dat mensen rond hun vijftigste weer gelukkiger worden.”

Die zin is me weken bijgebleven. Niet omdat ze zo diepzinnig was, maar omdat ik merkte dat ik ze graag wóu geloven — zoals je een weerbericht graag gelooft dat zon voorspelt voor het weekend.

Dus ben ik gaan kijken of het klopt. En wat ik vond, was ingewikkelder en uiteindelijk troostender dan de zin zelf.

Het verhaal dat ik graag wou geloven

Het idee heet de U-curve van geluk, en het is een van de bekendste bevindingen uit de economie van welzijn. Je levenstevredenheid daalt vanaf je twintiger jaren, bereikt een dieptepunt ergens tussen je vijfenveertigste en je vijftigste, en klimt daarna weer omhoog.

De econoom die het idee groot maakte, publiceerde in 2021 een analyse van 145 landen, waaronder meer dan honderd ontwikkelingslanden. Zijn conclusie was er niet naast: de U werd bevestigd, met een dieptepunt rond de vijftig, in arme en rijke landen. “De geluksscurve lijkt overal te bestaan”, schreef hij.

En er was ondersteunend bewijs dat niet op vragenlijsten steunde. In zevenentwintig Europese landen piekt het gebruik van antidepressiva rond het einde van de veertig — het verdubbelt daar ongeveer. Er is zelfs onderzoek bij vijfhonderdacht mensapen, chimpansees en orang-oetans, waarvan het welzijn door hun verzorgers werd ingeschat: ook daar een U.

Dat laatste maakte het verhaal onweerstaanbaar. Als zelfs chimpansees een midlifedip hebben, dan zit het in ons, en dan hoeft niemand zich er schuldig over te voelen.

Waarom die curve minder stevig staat dan ze lijkt

En toen las ik de kritiek, en die is scherper dan ik verwachtte.

Om die U te vinden, corrigeren onderzoekers meestal voor allerlei zaken: inkomen, gezondheid, werk, of je een partner hebt. Dat klinkt zorgvuldig. Maar er zit een denkfout in, en een socioloog heeft die pijnlijk helder gemaakt.

Je inkomen, je gezondheid en je burgerlijke staat kunnen je leeftijd niet veroorzaken. Het is net omgekeerd: ze zijn gevólgen van ouder worden. Door ervoor te corrigeren vraag je eigenlijk: hoe gelukkig zou een zeventigjarige zijn als hij het lichaam, het inkomen en het huwelijk van een veertigjarige had?

Dat is een interessante vraag. Het is alleen niet de vraag hoe gelukkig zeventigjarigen zijn.

Toen diezelfde onderzoeker de analyse overdeed zonder die correcties, op bijna driehonderdduizend mensen in negenenzestig landen, bleef er van de stijging na je vijfenveertigste vrijwel niets over. Verwaarloosbaar klein.

Er is nog een tweede probleem. Bijna al dat onderzoek vergelijkt verschillende mensen van verschillende leeftijden op één moment. Wie dezélfde mensen jarenlang volgt, vindt vaak iets anders. In drie grote panelstudies — een Duitse, een Britse en een Australische — verdween de midlifedip zodra rekening werd gehouden met het feit dat ongelukkige mensen vaker uit zulke onderzoeken verdwijnen. Wat overbleef, was een vrijwel vlakke lijn tussen je twintigste en je vijftigste, een stijging rond je zestigste, en een scherpe daling na je vijfenzeventigste.

Eerlijkheidshalve: er is één longitudinale studie die de U wél terugvond, met een nieuwe rekenmethode. De onderzoekers geven in hun eigen samenvatting toe dat vóór hun werk geen enkele echt longitudinale studie hem had gevonden.

Ik vond dat een ontnuchterende ochtend. De curve waar ik zo graag in wou geloven, blijkt voor een groot deel te ontstaan door de manier waarop je hem meet.

En toen kantelde het verhaal opnieuw

Hier wordt het echt interessant, want de discussie is de laatste jaren voor een tweede keer gedraaid — en deze keer om een reden die niets met statistiek te maken heeft.

Dezelfde onderzoekers die de U jarenlang verdedigden, publiceerden in 2025 iets opmerkelijks: de U is aan het verdwijnen. Niet omdat de veertigers het beter doen, maar omdat de jongeren zijn ingestort.

De cijfers zijn hard. In het Verenigd Koninkrijk steeg het aandeel vrouwen onder de vijfentwintig dat dertig of meer slechte mentale dagen per maand rapporteert van 4,4 procent in 2009 naar 12,7 procent in 2021. In de Verenigde Staten ging het van 5,6 naar 9,3 procent. In een databank met ruim anderhalf miljoen mensen in vierenveertig landen zien ze hetzelfde patroon.

De curve is dus geen U meer. Ongeluk piekt niet langer in de middenleeftijd, maar helemaal aan het begin, en neemt daarna af naarmate mensen ouder worden.

En België staat expliciet in die lijst. In een analyse van vijftig jaar Eurobarometer-gegevens, ruim twee miljoen antwoorden uit eenentwintig landen, staat ons land bij de dertien Noord-Europese landen waar de U vervangen is door levenstevredenheid die stijgt met de leeftijd. Vóór 2009 had België de klassieke U, met het dieptepunt bij de vijfenveertig- tot vierenvijftigjarigen. Rond 2020 kantelt dat.

Ik moet daar wel meteen bij zeggen dat de officiële Europese statistiek iets anders zegt. Eurostat meldt dat de levenstevredenheid in de meeste EU-landen in 2024 juist dáált met de leeftijd, en dat de zestien- tot negenentwintigjarigen de tevredenste groep zijn. Twee gezaghebbende bronnen, twee tegengestelde beweringen. Ik weet niet wie gelijk heeft, en het lijkt me eerlijker dat te zeggen dan er één te kiezen.

Wat de Vlaamse cijfers laten zien

Voor jongeren hier hoeven we niet op internationale data te wachten.

Het grote schoolonderzoek naar het welzijn van Vlaamse jongeren vergeleek 2022 met 2018. Het aandeel dat zich meermaals per week zenuwachtig voelt, ging van 21,6 naar 31,0 procent. Zich ongelukkig voelen: van 14,1 naar 19,7 procent. Slaapproblemen: van 26,6 naar 32,0. Zelfmoordgedachten: van 17,6 naar 22,3 procent.

En dan het detail waar ik stil van werd. In diezelfde periode bleef de zelfgerapporteerde fysieke gezondheid vrijwel exact gelijk — 82,6 tegenover 82,7 procent — terwijl de lichamelijke klachten die met stress samenhangen wél stegen. Hoofdpijn ging van 12,2 naar 19,0 procent.

Dat maakt het onwaarschijnlijk dat jongeren gewoon meer zijn gaan klagen. Als het alleen om taal en bereidheid ging, zou hun fysieke gezondheid mee zijn gedaald.

Er zit ook een genderkloof in die me niet loslaat. In 2022 voelde 76,1 procent van de jongens zich meestal gelukkig, tegenover 58,9 procent van de meisjes. Eenzaamheid: 10,0 procent bij de jongens, 21,6 procent bij de meisjes.

Waarom dit gebeurt, weet niemand zeker. Smartphones en sociale media zijn de meest genoemde verdachte, maar zelfs de onderzoekers die daarop wijzen, geven toe dat het de verslechtering tussen tien en zestien jaar niet verklaart. Ander onderzoek, bij bijna een miljoen mensen in tweeënzeventig landen, vond geen wijdverspreide schade. Het is een hypothese, geen bewezen oorzaak, en wie het als vaststaand brengt, gaat te snel.

gelukkiger lente en zomer

Betekent dat dat het voor mij niet meer beter wordt?

Dat is de vraag die ik mezelf stelde, en het antwoord is: dat weet niemand.

Want al die cijfers vergelijken verschillende generaties op verschillende momenten. Als de twintigers van vandaag ongelukkiger zijn dan de twintigers van vijftien jaar geleden, kan dat twee dingen betekenen. Ofwel is jong zijn nu zwaarder, en veert deze generatie later gewoon op zoals iedereen. Ofwel draagt deze generatie een blijvend lager niveau met zich mee, en zien we over twintig jaar een middenleeftijd die nooit hersteld is.

Dat is geen detail. Dat is precies het verschil tussen “hou vol, het komt goed” en “er is iets structureels aan het gebeuren”. En er bestaat vandaag geen onderzoek dat het uitmaakt.

Het cijfer dat me het meest is bijgebleven

Terwijl ik dit allemaal aan het uitzoeken was, kwam ik een Belgisch cijfer tegen dat de hele discussie in perspectief zet.

In onze gezondheidsenquête schommelt de levenstevredenheid tussen 7,3 en 7,7 op tien, afhankelijk van je leeftijdsgroep. De vijfendertig- tot vierenveertigjarigen scoren het laagst. Dat is inderdaad een dipje, en het is inderdaad in de middenleeftijd.

Maar het verschil tussen het diepste en het hoogste punt van je hele leven is 0,4 punt.

Ter vergelijking: het verschil tussen Belgen in het laagste en het hoogste inkomenskwintiel is 1,6 punt. Zes komma vier tegenover acht komma nul.

Je portefeuille doet dus ongeveer vier keer meer met je levenstevredenheid dan je leeftijd. Dat is een minder poëtische bevinding dan een curve die je door je leven draagt, maar het is waarschijnlijk het eerlijkste getal van dit hele verhaal.

Waarom je twintiger jaren misschien wel het zwaarst zijn

Van alle verklaringen die ik las, is er één die me echt raakte, en ze gaat niet over hormonen of hersenen.

Een onderzoeker analyseerde ruim honderddertigduizend voorspellingen van drieëntwintigduizend Duitsers. Ze werden gevraagd hoe tevreden ze over vijf jaar zouden zijn, en vijf jaar later werd hun voorspelling met de werkelijkheid vergeleken.

Mensen in hun twintig overschatten hun toekomstige geluk met ongeveer 0,7 punt. Ze verwachten dat het leven beter wordt dan het blijkt te worden.

En ergens rond hun achtenzestigste kantelt dat. Dan onderschatten mensen systematisch hoe goed het met hen zal gaan.

Wat we een midlifedip noemen, is volgens die verklaring dus geen crisis. Het is het langzame, jarenlange afscheid van verwachtingen die je op je vijfentwintigste had. En de opleving daarna is niet dat het leven beter wordt — het is dat je ophoudt met te denken dat het nog helemaal anders moet.

Dat vind ik geen deprimerende gedachte. Dat vind ik een van de vriendelijkste dingen die ik over ouder worden heb gelezen.

Wat er wél verandert

Er is één stuk van het verhaal dat wél stevig staat, en het gaat niet over tevredenheid maar over emoties.

Onderzoekers lieten mensen vijf keer per dag een week lang rapporteren hoe ze zich voelden, en herhaalden dat vijf en tien jaar later. Wat ze zagen: ouder worden ging samen met meer positief emotioneel welzijn, meer emotionele stabiliteit, en meer complexiteit — het vermogen om meerdere dingen tegelijk te voelen.

Bovendien bleek uit een analyse van honderd studies dat ouderen hun aandacht en geheugen iets meer richten op positieve informatie, en jongeren juist op negatieve.

Ik wil daar wel bij zeggen dat die steekproeven klein zijn en overwegend westers, en dat het over laboratoriumtaken gaat, niet over hoe tevreden je met je leven bent. Het verklaart hoogstens waarom het na een bepaald punt aangenamer wordt, niet waarom er een dip zou zijn.

Maar het komt wel overeen met wat je ziet bij mensen die ouder zijn dan jij. Niet dat ze minder meemaken. Dat ze er anders in staan.

De zin die overblijft

Die vrouw op de verjaardag had niet helemaal gelijk, en ze had ook niet helemaal ongelijk.

Er is geen curve die je door je leven draagt als een roltrap. Wat de statistiek toont, is een verschil van vier tienden van een punt, waar sommige onderzoekers denken dat het er niet eens echt is.

Wat er wél lijkt te veranderen, is bescheidener en persoonlijker. Ergens onderweg stop je met wachten tot het leven wordt wat je ervan verwachtte. En het gekke is dat je je precies daardoor beter begint te voelen.

Dat is geen belofte die je op een verjaardag kan uitdelen. Maar het is er wel eentje die je zelf in de hand hebt.

Bronnen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Gerelateerde artikelen