Home Blog Pagina 2

Waarom we denken dat niemand op ons bericht zit te wachten (en waarom dat bijna nooit klopt)

0

Ik heb dit voorjaar een bericht getypt, gelezen, ingekort, opnieuw gelezen en dan gewist. Aan een vriendin die ik al ruim een jaar niet meer had gesproken. Geen ruzie, geen breuk, gewoon twee agenda’s die uit elkaar zijn gedreven.

Wat ik tegen mezelf zei, weet ik nog precies. Ze heeft het druk. Het is raar om nu ineens iets te sturen. Straks moet ze uitleggen waarom ze zelf nooit iets liet horen, en dan is het ongemakkelijk voor ons allebei.

Drie maanden later stuurde zíj een bericht. En het eerste wat ik voelde, was geen ongemak. Het was een soort warmte in mijn borstkas, alsof iemand een raam had opengezet in een kamer die ik was vergeten te luchten.

Toen pas drong het tot me door hoe scheef mijn rekensom was geweest.

Waarom typen we dat bericht wel, en sturen we het niet?

Ik denk dat we in ons hoofd een klein rekenmachientje hebben dat continu de verkeerde som maakt. Aan de ene kant zetten we hoeveel de ander eraan zal hebben. Aan de andere kant hoe gek het zal overkomen. En op de een of andere manier wint dat tweede getal bijna altijd.

Het gekke is dat we die som nooit controleren. We sturen het bericht niet, dus we komen nooit te weten wat er zou zijn gebeurd. Zo blijft een verkeerde inschatting jarenlang overeind, omdat ze zichzelf nooit hoeft te bewijzen.

Wat blijkt er te gebeuren als je het wél stuurt?

Er is een groep onderzoekers die precies dit heeft uitgeplozen, in dertien vooraf geregistreerde experimenten met samen bijna zesduizend deelnemers. Ze lieten mensen contact opnemen met iemand uit hun verleden: een berichtje, een kaartje, soms een klein cadeautje. De initiatiefnemer moest vooraf inschatten hoezeer de ander het zou appreciëren. De ontvanger vertelde achteraf hoe het echt was.

De uitkomst was consistent. Mensen onderschatten systematisch hoe blij de ander is met een bericht uit het niets.

Twee details maken het nog interessanter. Ten eerste zit de verklaring in verrassing: ontvangers zijn veel meer geraakt door het onverwachte van het gebaar dan de afzender vermoedt. En ten tweede — dit is de mooiste bevinding — de fout is groter naarmate het contact verder weg staat. Hoe langer het geleden is, hoe harder je jezelf onderschat.

Precies bij die vriendin van wie je denkt “het is nu te laat”, zit je er dus het meest naast.

Ik moet er wel eerlijk bij zeggen dat het effect klein is. Het is geen aardverschuiving, het is een consistente scheeftrekking. Maar het wijst wel altijd dezelfde kant op, en dat is precies het probleem: als je elke keer een beetje te pessimistisch rekent, stuur je over twintig jaar honderden berichten niet.

Waarom denken we dat mensen ons minder graag zien dan ze doen?

Er bestaat een naam voor dit soort scheefheid, en ze is heerlijk simpel: de liking gap. Na een gesprek onderschatten mensen structureel hoezeer hun gesprekspartner hen mocht en van het gesprek genoot.

Onderzoekers lieten vreemden met elkaar praten en vroegen achteraf aan allebei hoe het was gegaan. De ander vond het steevast leuker dan je dacht. Bij verlegen mensen was die kloof meer dan vier keer zo groot als bij mensen die vlot zijn.

Wat mij het meest is bijgebleven, is de verklaring. De kloof wordt gedreven door de toon van je eigen gedachten ná het gesprek. Je bent gewoon veel harder voor jezelf dan voor de ander. Zij zei iets grappigs, jij zei iets stoms. Zij luisterde goed, jij praatte te veel.

En één nuance die bijna nooit meegeciteerd wordt, vind ik geruststellend. In een onderzoek dat eerstejaarsstudenten een heel jaar volgde, was die kloof in september tot februari duidelijk aanwezig — en in mei helemaal verdwenen. Het is dus vooral een fenomeen van het begin. Naarmate je iemand beter leert kennen, ga je vanzelf zuiverder zien hoe graag die je mag.

Wat weer betekent dat de drempel het hoogst is op precies het moment dat je hem het meest moet nemen.

De pendelaars die niemand wilden aanspreken

Er is één experiment dat ik aan iedereen vertel, omdat het zo mooi laat zien hoe fout we het hebben.

Onderzoekers spraken pendelaars aan op een treinstation bij Chicago. Eén groep moest een gesprek beginnen met een wildvreemde medereiziger. Een andere groep moest juist voor zichzelf blijven. Een derde deed gewoon wat ze altijd deed.

Vooraf voorspelden de pendelaars massaal dat alleen zijn aangenamer zou zijn. Achteraf bleek precies het omgekeerde: wie een gesprek had gevoerd, vond de rit duidelijk aangenamer. De gesprekken duurden gemiddeld veertien minuten en werden als prettig beoordeeld. Hetzelfde patroon kwam terug op de bus en in de taxi.

En dan de twee cijfers waar het echt om draait. Minder dan de helft van de deelnemers verwachtte dat de ander zin zou hebben in een gesprek. En van alle mensen die het probeerden, werd er niet één afgewezen.

Geen enkele. De ramp waar we onze stilte op baseren, kwam nul keer voor.

Waarom wordt dit moeilijker naarmate je ouder wordt?

Het ligt niet alleen aan jou, en dat is denk ik goed om te weten.

Uit een meta-analyse van 277 studies met samen ruim 177.000 deelnemers blijkt dat onze vriendenkring een duidelijke boog volgt. Hij groeit tot ergens rond je vijfentwintigste en krimpt daarna gestaag — met ongeveer één vriend per decennium. Onafhankelijk onderzoek op basis van de belgegevens van drie miljoen mensen kwam op precies dezelfde piek uit: vijfentwintig jaar.

Wat die krimp veroorzaakt, is even herkenbaar als banaal. Verhuizen heeft de grootste impact op je vriendennetwerk, ongeacht je leeftijd. Kinderen krijgen doet je persoonlijke netwerk ook merkbaar krimpen — minder vrije tijd, andere dagindeling, een ander middelpunt. En opvallend: je familiebanden blijven door dat alles heen wél stabiel.

Vriendschap is dus het enige type band dat je actief moet onderhouden. Familie blijft familie, ook als je drie jaar niets van elkaar hoort. Een vriendschap is meer als een plant op je vensterbank: ze gaat niet dood van één vergeten week, maar ze overleeft geen twee jaar zonder water.

Hoeveel tijd kost een vriendschap eigenlijk?

Daar bestaat een ruwe schatting voor, en ze is ontnuchterend. Van kennis naar losse vriend: enkele tientallen uren. Naar echte vriend: rond de negentig. Naar goede vriend: ruim tweehonderd uur.

Neem die cijfers als orde van grootte, niet als recept — ze komen uit zelfrapportage, niet uit een experiment. Maar één bijkomende bevinding vind ik wel heel bruikbaar: niet alle uren wegen even zwaar. Samen niksen, samen lachen, samen iets zinloos doen bouwt vriendschap op. Samen wérken nauwelijks.

Dat verklaart waarom je een collega vijf jaar lang elke dag kan zien en toch niet weet hoe het echt met hem gaat.

Is bellen echt zo eng als het voelt?

Nog een onderzoek dat me betrapte op mijn eigen gedrag.

Deelnemers moesten een oude vriend opnieuw contacteren en mochten kiezen: bellen of mailen. Vooraf verwachtten ze dat bellen een sterkere band zou geven — én dat het veel ongemakkelijker zou zijn. Twee derde koos daarop voor mail.

Achteraf klopte de helft van die voorspelling. Bellen gaf inderdaad een sterkere band. Maar het was niet ongemakkelijker. Helemaal niet.

In een tweede experiment met ruim driehonderd deelnemers was het verschil nog uitgesprokener: praten met je stem gaf een duidelijk sterkere verbinding dan tekst, en alle vormen van contact voelden achteraf een pak minder ongemakkelijk dan mensen vooraf hadden ingeschat.

We kiezen dus tekst om een ongemak te vermijden dat er niet blijkt te zijn. Ik heb dat sindsdien een paar keer geprobeerd, en het klopt: een telefoontje van tien minuten doet meer dan twintig berichtjes over twee weken.

Doet dit er echt toe, of is het gewoon gezellig?

Het doet ertoe, en de cijfers zijn steviger dan je zou denken.

Een meta-analyse van 148 onderzoeken met samen ruim 308.000 mensen vond dat wie sterkere sociale relaties heeft, aanzienlijk meer kans heeft om de opvolgperiode te overleven. En in een vervolganalyse zat de bevinding die alles omdraait: het gezondheidsrisico van isolement is het gróótst bij mensen onder de 65, niet bij hoogbejaarden.

Dat is precies het omgekeerde van waar we aan denken bij het woord eenzaamheid. Wij zien een oudere vrouw alleen aan een keukentafel. De cijfers wijzen naar veertigers met een volle agenda.

In België zie je dat terug in de Gezondheidsenquête. De groep die het minst vaak weinig sociaal contact heeft — vijftien- tot vierentwintigjarigen — scoort tegelijk het hóógst op eenzaamheid. Contact hebben en je verbonden voelen zijn duidelijk twee verschillende dingen.

Ik wil daar wel bij zeggen dat je zulke cijfers voorzichtig moet lezen. Je hoort vaak dat “de helft van de Belgen eenzaam is”. Dat komt doordat die metingen milde eenzaamheid meetellen, en die drempel ligt laag. Het aandeel dat ernstig eenzaam is, ligt rond de twintig procent. Nog altijd veel. Maar iets anders dan de helft.

Wat ik sindsdien probeer

Ik heb hier geen systeem van gemaakt, want systemen hou ik nooit vol. Wel drie kleine dingen.

Ten eerste stuur ik het bericht wanneer ik eraan denk, niet wanneer het gepast voelt. Want dat moment komt niet. Het hoeft ook niet mooi te zijn — uit onderzoek naar dankbaarheidsbrieven blijkt dat schrijvers zich zorgen maken over hoe welbespraakt hun tekst is, terwijl ontvangers daar niets om geven en alleen de warmte opmerken. Ik heb dus mijn lat verlaagd tot “ik dacht aan je”.

Ten tweede tel ik de kleine contacten weer mee. Onderzoek naar zwakke banden laat zien dat mensen die een praatje maken met de barista of de buur zich diezelfde dag meer verbonden voelen. In een Vlaamse bevraging zei bijna zeventig procent van de mensen die hun buren meermaals per week groeten zich bijna nooit eenzaam te voelen, tegenover vierenveertig procent bij wie dat zelden doet. Of dat groeten de oorzaak is of het gevolg, weet niemand. Maar het kost me niets.

En ten derde bel ik weer. Niet vaak. Maar als ik merk dat ik iets aan het typen ben dat langer wordt dan drie regels, druk ik op het telefoontje.

Wat mij daarbij helpt: er is onderzoek met meer dan negenhonderd deelnemers dat vergeleek welk soort contact het meest oplevert — bijpraten, luisteren, een compliment geven, samen lachen. Alle vormen werkten ongeveer even goed. Het maakt dus niet uit wát je zegt. Het maakt uit dát je het zegt, en bij voorkeur in levenden lijve.

Het bericht dat je niet stuurt

Ik denk vaak aan die drie maanden tussen mijn gewiste bericht en het hare. Twaalf weken waarin we allebei aan elkaar dachten en allebei besloten dat de ander er wel geen zin in zou hebben.

Dat is het treurigste aan deze hele denkfout. Ze is wederzijds. Terwijl jij zit te bedenken dat je niet welkom bent, zit iemand anders precies hetzelfde te bedenken over jou.

Er is iemand aan wie je nu denkt terwijl je dit leest. Je weet meteen wie.

Stuur het. Het is nooit zo raar als je denkt, en bijna altijd meer waard dan je vermoedt.

Bronnen

Ik legde een zomer lang mijn telefoon weg tijdens het eten. Dit veranderde er.

0

Het begon met een zin die ik zelf uitsprak en meteen terug had willen slikken. Iemand aan tafel vertelde iets — iets dat er echt toe deed, over haar vader — en ik zei: ‘sorry, wat zei je?’

Ik had mijn telefoon niet eens vast. Hij lag naast mijn bord, scherm naar beneden, braaf. Maar er was iets binnengekomen, het schermpje had heel even opgelicht, en mijn hoofd was daar vijf seconden naartoe gegaan. Vijf seconden waarin ze het belangrijkste stuk vertelde.

Ik heb toen besloten: één zomer lang gaat die telefoon aan tafel weg. Niet omgedraaid, niet op stil. Wég, in een lade in de gang. Dit is wat er gebeurde, en ook wat er níet gebeurde.

Hoe erg is het eigenlijk?

Eerst even de omvang, want ik dacht dat ik een lichte gebruiker was.

Uit de jaarlijkse digimeter van imec, met drieduizend bevraagde Vlamingen, blijkt dat we gemiddeld 183 minuten per dag op onze smartphone zitten. Ruim drie uur. Verdeeld over 81 aparte sessies per dag.

Dat laatste getal is het getal dat mij raakte. Niet drie uur aan één stuk — 81 keer. Eenentachtig keer per dag stopt er iets en begint er iets anders. Je hoofd is de hele dag aan het schakelen als een oude versnellingsbak.

En het is niet dat we het niet doorhebben: 46 procent van de Vlamingen vindt zelf dat ze hun telefoon te veel gebruiken, tegenover 31 procent in 2018. We weten het. We doen het toch.

Wat er de eerste week gebeurde

Eerlijk? De eerste dagen was het vooral irritant. Ik zocht drie keer per maaltijd naar iets dat er niet lag, zoals je met je tong blijft zoeken naar een tand die getrokken is.

Er was ook een concreet ongemak dat ik niet had voorzien: de kleine vragen. Hoe heet die acteur ook alweer. Wanneer is dat restaurant open. Wat was het adres. Die vragen bleven nu gewoon hangen, onbeantwoord, midden op tafel.

En toen merkte ik iets dat ik echt niet had zien aankomen. Die onbeantwoorde vragen bleken de betere gesprekken op te leveren. Als niemand het meteen kan opzoeken, ga je erover praten. Je gokt, je herinnert je iets, iemand vertelt een verhaal dat er zijdelings mee te maken heeft. Het antwoord doet er dan niet meer toe.

Google beëindigt gesprekken. Dat had ik nooit zo bekeken.

Maar klopt het wel, dat een telefoon op tafel je gesprek verpest?

En hier moet ik iets toegeven wat mijn eigen verhaal een beetje ondermijnt, maar ik vind het te interessant om weg te laten.

Het idee dat de blote áánwezigheid van een telefoon op tafel je gesprek al schaadt, komt uit een bekend onderzoek uit 2013. Twee experimenten, met 74 en 68 deelnemers. Alleen al een gsm op tafel — versus een notitieboekje — verlaagde het gevoel van nabijheid en de kwaliteit van het gesprek, vooral wanneer mensen over iets persoonlijks praatten. Dat resultaat is duizenden keren geciteerd. Ik heb het zelf ook geloofd.

In 2021 probeerden onderzoekers het over te doen, met 356 deelnemers in 136 groepen. Het lukte niet. Geen verschil in nabijheid, vertrouwen, empathie of verbondenheid.

En twee meta-analyses, samen goed voor 43 studies en ruim achtduizend deelnemers, kwamen tot dezelfde slotsom: het effect van louter aanwezigheid is statistisch niet te onderscheiden van nul. De onderzoekers opperen zelf dat telefoons intussen zo vanzelfsprekend zijn geworden dat we ze gewoon niet meer opmerken.

Dat vond ik ongemakkelijk om te lezen, want het is precies het idee waarop ik mijn hele experiment had gebouwd.

Wat wél overeind blijft: eraan zitten

Maar diezelfde meta-analyses laten iets anders wél overeind, en dan met stevige cijfers. Effectief naar je telefoon grijpen tijdens een gesprek — phubbing, in het jargon — hangt duidelijk samen met slechtere gesprekken en minder verbondenheid.

Het onderscheid is dus scherper dan ik dacht. Een telefoon die daar ligt, doet weinig. Een telefoon die je oppakt, doet veel.

En dat sluit naadloos aan bij wat ik zelf ervoer. Mijn probleem was nooit dat het toestel op tafel lag. Mijn probleem was dat het oplichtte en dat ik keek.

Onderzoek naar koppels wijst in dezelfde richting: in een studie waarin de partner-phubbingschaal werd ontwikkeld, gaf zeventig procent van de bevraagden aan dat gsm’s soms tot altijd de interactie met hun partner verstoorden. Dat is geen bewijs van oorzaak en gevolg — het is één meetmoment, met zelfrapportage — maar zeventig procent is wel een cijfer dat blijft hangen.

Wat afleiding met je eten doet

Er is nog een tweede spoor, en daar is het bewijs een stuk harder dan bij de gesprekken.

Een analyse van 24 experimentele studies keek naar wat afleiding doet met hoeveel je eet. Wie afgeleid at, at op dat moment meer. Maar het opvallendste is wat er dáárna gebeurde: bij de volgende maaltijd aten ze nóg meer, en dat effect was groter dan het directe.

En omgekeerd werkt het ook. Wanneer onderzoekers deelnemers hielpen om zich beter te herinneren wat ze eerder gegeten hadden, aten ze bij de volgende maaltijd minder.

Daar zit de kern in: je verzadiging is niet alleen een kwestie van je maag, maar ook van je geheugen. Een maaltijd die je niet echt hebt meegemaakt, telt half. Je lichaam heeft gegeten, je hoofd niet.

Ik heb dat zelf gemerkt op een manier die ik niet had verwacht. Ik at niet minder deze zomer. Maar ik wist ’s avonds nog wát ik gegeten had. Dat klinkt banaal tot je beseft hoe vaak dat vroeger niet zo was.

Family table eating

En de gezinstafel?

Voor wie kinderen heeft, is er nog een reden, al moet ik ook daar de nuance meegeven.

Een overzicht van alle bestaande reviews over gezinsmaaltijden vond consistente verbanden: gezinnen die vaker samen eten, hebben kinderen met betere voeding, een hoger zelfbeeld, minder depressieve klachten en minder verstoord eetgedrag. Dat klinkt indrukwekkend.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat onderzoek grotendeels cross-sectioneel is. Gezinnen die vaak samen eten, verschillen ook op andere manieren van gezinnen die dat niet doen, en het is niet zo dat je die uitkomsten koopt door drie keer per week samen aan tafel te schuiven.

Maar één bevinding uit datzelfde overzicht vond ik veelzeggend: meerdere reviews stelden vast dat een aanstaande televisie de voordelen van de gezinsmaaltijd grotendeels tenietdeed. Het gaat dus niet om samen zítten. Het gaat om samen aandacht hebben. En een scherm — welk scherm dan ook — is precies wat die aandacht wegneemt.

Hoe je het volhoudt zonder er een regel van te maken

Wat bij mij werkte, was niet discipline maar afstand. Zolang het toestel binnen handbereik lag, was het een kwestie van tijd. Zodra hij in een lade in de gang lag, was de drempel groot genoeg.

Twee dingen die ook hielpen. Eén: ik heb het aangekondigd in plaats van het stiekem te doen. ‘Ik leg mijn gsm weg tijdens het eten’ klinkt belerend, maar als je erbij zegt waaróm — omdat je iemand niet goed had gehoord — wordt het een verhaal in plaats van een regel. Bij ons legde binnen twee weken iedereen zijn toestel weg, zonder dat ik er ooit om gevraagd heb.

Twee: ik heb het niet uitgebreid. Geen digitale detox, geen schermvrije zondagen, geen app die me berispt. Alleen die twintig minuten aan tafel. Iets kleins dat je volhoudt, is meer waard dan iets groots dat je opgeeft.

En nee, ik ben niet iemand geworden die geen telefoon meer gebruikt. Ik zit nog altijd ergens rond die drie uur per dag. Maar er zijn nu drie keer twintig minuten per dag waarop ik er echt bij ben.

Wat er eigenlijk veranderde

Ik was op zoek naar iets groots. Meer rust, betere relaties, een dieper leven — het soort belofte dat je op de achterflap van een boek leest.

Wat ik kreeg was veel kleiner en veel bruikbaarder. Ik hoorde de tweede helft van de zinnen. Ik wist ’s avonds nog wat ik gegeten had. En ik ontdekte dat een vraag die niemand kan opzoeken, vaak de beste vraag van de avond is.

De telefoon is het probleem niet. De reflex is het probleem: dat schouderklopje van dopamine elke keer als het schermpje oplicht.

Een maaltijd duurt twintig minuten. Er is niets in die twintig minuten dat niet kan wachten. En de persoon tegenover je vertelt misschien net dat ene stuk dat je niet mag missen.

Bronnen

  1. imec.digimeter 2025, mediagebruik in Vlaanderen — https://www.imec.be/nl/kennisuitwisseling/techmeters/digimeter/imecdigimeter-2025
  2. Przybylski & Weinstein (2013), Can you connect with me now? Journal of Social and Personal Relationships — https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/0265407512453827
  3. Linares & Sellier (2021), How bad is the mere presence of a phone? A replication of Przybylski and Weinstein (2013), PLOS ONE — https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371%2Fjournal.pone.0251451
  4. Courtright & Caplan (2020), Two Meta-Analyses of Mobile Phone Use and Presence, Human Communication & Technology — https://journals.ku.edu/hct/article/download/13412/13306/29883
  5. Misra, Cheng, Genevie & Yuan (2016), The iPhone Effect, Environment and Behavior — https://journals.sagepub.com/doi/abs/10.1177/0013916514539755
  6. Roberts & David over partner phubbing, Baylor University — https://kellercenter.hankamer.baylor.edu/news/story/2017/partner-phubbing-how-cell-phones-impact-romantic-partnerships
  7. Robinson et al. (2013), Eating attentively: a systematic review and meta-analysis, American Journal of Clinical Nutrition — https://www.spcr.nihr.ac.uk/publications/eating-attentively-a-systematic-review-and-meta-analysis-of-the-effect-of-food-intake-memory-and-awareness-on-eating-1
  8. Harvey & Snuggs (2023), Family Mealtimes: A Systematic Umbrella Review, Nutrients — https://www.mdpi.com/2072-6643/15/13/2841
  9. Sciensano (2025), Nationale gezondheidsenquête: we kijken véél naar schermen — https://www.sciensano.be/nl/pershoek/nationale-gezondheidsenquete-we-roken-minder-en-bewegen-meer-maar-kijken-veel-naar-schermen

Weer beginnen sporten na een zomer stilzitten: hoe bouw je op zonder jezelf te blesseren?

0

Er komt altijd een dag eind augustus waarop het kwartje valt. Je trekt je loopschoenen aan, je denkt: het zal wel meevallen, ik liep in mei nog acht kilometer.

Drie kilometer later sta je te blazen tegen een lantaarnpaal met een hartslag die nergens op slaat, en de dag erna kan je de trap alleen nog achterwaarts af. Vervelend. En het vervelendste is dat je het zag aankomen.

Nog vervelender is wat er daarna vaak gebeurt: je forceert erdoorheen omdat je jezelf iets beloofd had, en drie weken later zit je met een pees die zeurt. Dat is jammer, want de opbouw hoeft echt niet lang te duren — als je weet welke dingen snel terugkomen en welke traag.

Wat je écht verliest tijdens een lome zomer

Laten we eerst iets rechtzetten, want de cijfers die op internet circuleren zijn behoorlijk paniekerig.

Wat je het snelst verliest, is je conditie. Bij goed getrainde duursporters daalt de VO2max in de eerste twee weken zonder training met ongeveer vijf tot zeven procent, afhankelijk van de studie. Na twee maanden zit je rond de twintig procent. En dan het geruststellende deel: na ongeveer drie maanden stopt die daling grotendeels. Je zakt niet eindeloos door.

Wat daar achter zit, is vooral cardiovasculair. Al na twee tot vier weken inactiviteit daalt je bloedvolume met bijna tien procent, vooral door verlies aan plasmavolume. Je hart pompt per slag minder bloed rond. Daar bovenop dalen de enzymen in je spieren die zuurstof omzetten in energie: citraatsynthase zakt met ongeveer vijf procent na zes dagen en met bijna dertig procent na tien dagen.

Dat is precies wat je voelt op die eerste loop. Je benen zijn niet het probleem. Je motor is even kleiner geworden.

Je kracht is er nog, en dat is goed nieuws

Kracht verlies je véél trager dan conditie. Een systematische review vond dat korte pauzes van twee tot vier weken géén significant krachtverlies veroorzaken, en dat opgebouwde krachtwinst grotendeels behouden blijft tot zestien à vierentwintig weken. Pas na zeven tot elf maanden zit je echt terug op je uitgangsniveau.

Dat betekent dat de kracht die je in het voorjaar hebt opgebouwd er in september nog gewoon is. Je voelt dat misschien niet zo, omdat je conditie het eerste is dat het laat afweten, maar hij zit er.

En dan dat cijfer waar iedereen over struikelt: ‘je verliest al spiermassa na vijf dagen’. Dat klopt, maar het komt uit immobilisatieonderzoek — mensen met hun been in het gips. Daar daalde de doorsnede van de quadriceps met drieënhalf procent na vijf dagen en met ruim acht procent na veertien dagen. Iemand die minder sport maar wel gewoon rondloopt, boodschappen doet en de trap neemt, verliest daar een fractie van. Dat onderscheid wordt in populaire artikels bijna nooit gemaakt, en het jaagt mensen onnodig schrik aan.

De 10%-regel: handig, maar geen bescherming

Iedereen kent hem: verhoog je weekvolume met maximaal tien procent. Het klinkt wetenschappelijk. Dat is het niet.

De enige studie die de regel rechtstreeks testte, verdeelde 532 beginnende lopers willekeurig over een opbouwschema volgens de 10%-regel en een standaardschema. Het blessurepercentage was 20,8 procent tegenover 20,3 procent. Geen enkel verschil.

Een systematische review van dertig studies kwam tot dezelfde ontnuchterende conclusie: het was niet mogelijk vast te stellen welke trainingsfouten precies samenhangen met loopblessures.

Dat betekent niet dat je maar wat kan doen. Het betekent dat de 10%-regel een handige ordegrootte is om jezelf af te remmen, en niet meer dan dat. Je bent er niet mee beschermd.

alle sporten vrouwensporten

Waar het risico wél zit: die ene te lange sessie

Er is dit jaar onderzoek verschenen dat het plaatje behoorlijk verandert, en het is meteen het meest bruikbare inzicht van dit hele artikel.

Onderzoekers volgden 5.205 lopers gedurende achttien maanden, goed voor 588.071 geregistreerde sessies en 1.820 blessures. Wat bleek: het risico zit niet in hoeveel je die week gelopen hebt, maar in hoeveel langer één individuele loop was dan je langste loop van de voorbije dertig dagen.

De cijfers: tien tot dertig procent langer dan je recente maximum verhoogde het blessurerisico met ruim zestig procent. Dertig tot honderd procent langer: ongeveer vijftig procent hoger risico. Meer dan dubbel zo lang: ruim twee keer zoveel kans op blessure. Wekelijkse maten toonden géén beschermend effect.

Vertaald: het probleem is niet dat je in september drie keer per week loopt. Het probleem is die ene zondag waarop het lekker gaat en je ‘dan maar meteen tien kilometer’ doet terwijl je maximum de voorbije maand vijf was.

Nog een cijfer om in het achterhoofd te houden: beginners lopen ruim dubbel zoveel blessures op als recreatieve lopers — 17,8 per duizend looguren tegenover 7,7. Als je een zomer hebt stilgezeten, ben je voor je pezen tijdelijk weer een halve beginner.

Je pezen lopen achter op je spieren

Dit is de reden waarom mensen die zich braaf aan een schema houden tóch geblesseerd raken, en het wordt zelden uitgelegd.

Spieren en conditie passen zich snel aan. Pezen en bindweefsel niet. Ze hebben een veel lagere weefselturnover, wat wil zeggen dat ze zichzelf trager vernieuwen. Onderzoekers gebruikten koolstof-14 uit de atoomproeven van de jaren vijftig en zestig als natuurlijke tijdsmarkering en ontdekten dat de kern van de volwassen achillespees na het einde van de groei nagenoeg niet meer vernieuwd wordt, terwijl spierweefsel van dezelfde proefpersonen wél continu vernieuwde.

Het gevolg is een mismatch. Na drie weken opbouw zijn je spieren en je conditie alweer een eind op weg. Je pees is nog niet vertrokken. En het is precies die combinatie — sterke spieren die trekken aan een pees die nog niet mee is — waar achillespees-, knie- en scheenbeenklachten uit voortkomen.

Dat is ook de reden waarom ‘ik voel me goed genoeg om meer te doen’ een slechte graadmeter is. Je voelt je conditie. Je voelt je pezen pas als het te laat is.

Krachttraining is de best onderbouwde blessurepreventie die er is

Als je één ding toevoegt aan je heropstart, maak er dan dit van.

Een meta-analyse van gerandomiseerde studies vond dat krachttraining het aantal sportblessures terugbrengt tot minder dan een derde. Voor overbelastingsblessures specifiek: bijna gehalveerd. Proprioceptietraining — balans en lichaamsbewustzijn — deed het ook goed.

En stretchen? Dat had een relatief risico van 0,96. Met andere woorden: geen meetbaar effect op blessurepreventie. Dat is een van de best gerepliceerde niet-resultaten in de sportgeneeskunde, en toch blijft het advies rondzingen.

Twee korte krachtsessies per week volstaan om het grootste deel van dat voordeel te pakken. Squats, lunges, kuitheffingen, iets voor je heupen en je romp. Geen sportschoolabonnement nodig.

Warm op zoals de profs het doen

Opwarmen werkt wel degelijk, op voorwaarde dat het gestructureerd is en niet neerkomt op twee minuten armen zwaaien.

Het bekendste voorbeeld is het FIFA 11+-programma. Een meta-analyse van tien gerandomiseerde studies met bijna zesduizend spelers vond een reductie van ongeveer 43 procent in blessures aan de onderste ledematen. Het programma duurt twintig minuten: acht minuten rustige loopoefeningen, tien minuten kracht en balans, twee minuten opbouwende loopoefeningen.

Je hoeft dat niet letterlijk over te nemen, maar de structuur is bruikbaar. Eerst je hartslag omhoog, dan iets van kracht en balans, dan een paar versnellingen. Nooit koud vertrekken aan je tempo.

Spierpijn: wat helpt en wat niet

De spierpijn die twee dagen na je eerste sessie toeslaat, heeft een naam: delayed onset muscle soreness. Ze is normaal, ze is niet gevaarlijk, en ze verdwijnt vanzelf.

Wat er niet tegen helpt: stretchen. Een Cochrane-review van twaalf gerandomiseerde studies vond dat stretchen vóór de inspanning de spierpijn met een halve punt op honderd verminderde, en erna met ongeveer één punt op honderd. Dat is niets.

Wat wél iets doet, volgens een analyse van 107 studies: massage kwam er als meest effectief uit, gevolgd door actief herstel, compressiekledij en koud- of contrastbaden. Stretchen en elektrostimulatie deden niets betekenisvols.

Kleine kanttekening bij die ijsbaden: ze verlichten de pijn, maar er zijn aanwijzingen dat ze de spieraanpassing na krachttraining afremmen. Als je aan het opbouwen bent, is dat niet wat je wil. Bewaar ze voor wedstrijddagen.

En dan het beste nieuws: dit is eenmalig. Het repeated bout effect zorgt ervoor dat één zware sessie je maandenlang beschermt tegen dezelfde spierschade — de bescherming houdt minstens zes maanden aan. De eerste keer doet het het meest pijn. De tweede al veel minder. Dat is geen wilskracht, dat is fysiologie.

Een realistisch plan voor je eerste zes weken

Als je van nul vertrekt, is het NHS-schema Couch to 5K een van de weinige gratis programma’s met een verstandige opbouw. Negen weken, drie sessies per week, telkens met vijf minuten wandelen vooraf en vijf minuten wandelen achteraf. In week één wissel je een minuut lopen af met anderhalve minuut wandelen, zeven keer. Pas in week vijf loop je voor het eerst twintig minuten aan één stuk.

Ben je geen absolute beginner, dan zijn dit de vier regels die er het meest toe doen. Ten eerste: leg je langste sessie vast en verhoog die maar één keer per week, met hoogstens een kwart. Ten tweede: hou minstens één rustdag tussen twee zware sessies. De NHS zegt het treffend — rustdagen zijn even belangrijk als de trainingen zelf. Ten derde: doe twee keer per week kracht. En ten vierde: als een zeurende pijn in een pees of gewricht na twee dagen niet weg is, sla je de volgende sessie over. Dat kost je een week. Doorgaan kost je twee maanden.

Wat je verder van de eerste weken mag verwachten: het gaat sneller terug omhoog dan het is gezakt. Je conditie herstelt in weken, niet in maanden. Wat trager terugkomt, is je efficiëntie — je loopstijl, je ritme, het gevoel dat het vanzelf gaat. Bij één goed gedocumenteerde sporter was de VO2max na twaalf weken heropbouw alweer boven het oude niveau, terwijl de loopeconomie nog altijd bijna achttien procent slechter was. Geduld hebben met je techniek is dus geen zwakte, het is realisme.

Wanneer je beter stopt

Spierpijn is normaal. Scherpe pijn in een gewricht, een pees of een bot is dat niet. Pijn die tijdens het sporten erger wordt in plaats van beter, is dat ook niet. En pijn die je ’s ochtends bij de eerste stappen voelt, is een klassiek signaal van een peesprobleem dat aandacht vraagt.

Ga in die gevallen langs bij je huisarts of een sportkinesist voor het chronisch wordt. Een beginnende achillespeesklacht is in enkele weken op te lossen. Een die je zes maanden hebt genegeerd, kan een jaar duren.

Traag beginnen is niet hetzelfde als niet beginnen

De verleiding in september is om alles tegelijk goed te doen: vier keer per week sporten, gezond eten, vroeg slapen, en dat allemaal vanaf maandag.

Je conditie is in tien weken opgebouwd, of in tien maanden. Voor je pezen maakt dat verschil wél uit. Begin dus bewust te traag, verhoog je langste sessie voorzichtig, en zet er twee keer per week wat kracht naast.

Je hoeft niet terug te zijn waar je in mei was. Je moet gewoon in oktober nog altijd aan het sporten zijn.

Bronnen

  1. Cardiorespiratory and metabolic consequences of detraining in endurance athletes, Frontiers in Physiology (2024) — https://www.frontiersin.org/journals/physiology/articles/10.3389/fphys.2023.1334766/full
  2. Wall et al. (2014), Substantial skeletal muscle loss occurs during only 5 days of disuse, Acta Physiologica — https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/apha.12190
  3. Buist et al. (2008), No Effect of a Graded Training Program on the Number of Running-Related Injuries in Novice Runners, American Journal of Sports Medicine — https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/17940147/
  4. How much running is too much? Identifying high-risk running sessions in a 5200-person cohort study, British Journal of Sports Medicine (2025) — https://health.au.dk/en/display/artikel/everything-we-thought-about-running-injury-development-was-wrong-study-shows
  5. Videbæk et al. (2015), Incidence of Running-Related Injuries Per 1000 h of running in Different Types of Runners, Sports Medicine — https://link.springer.com/article/10.1007/s40279-015-0333-8
  6. Lauersen et al. (2014), The effectiveness of exercise interventions to prevent sports injuries, British Journal of Sports Medicine — https://bjsm.bmj.com/content/48/11/871
  7. Heinemeier et al. (2013), Lack of tissue renewal in human adult Achilles tendon is revealed by nuclear bomb 14C, FASEB Journal — https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/23401563/
  8. Bohm & Arampatzis (2019), Functional Adaptation of Connective Tissue by Training, German Journal of Sports Medicine — https://www.germanjournalsportsmedicine.com/archive/archive-2019/issue-4/functional-adaptation-of-connective-tissue-by-training/
  9. Herbert, de Noronha & Kamper (2011), Stretching to prevent or reduce muscle soreness after exercise, Cochrane Database of Systematic Reviews — https://www.cochranelibrary.com/cdsr/doi/10.1002/14651858.CD004577.pub3/abstract
  10. Dupuy et al. (2018), An Evidence-Based Approach for Choosing Post-exercise Recovery Techniques, Frontiers in Physiology — https://www.frontiersin.org/journals/physiology/articles/10.3389/fphys.2018.00403/full
  11. NHS, Couch to 5K running plan — https://www.nhs.uk/better-health/get-active/get-running-with-couch-to-5k/couch-to-5k-running-plan/
  12. Gezondheid en Wetenschap, Helpt stretchen spierpijn voorkomen? — https://www.gezondheidenwetenschap.be/gezondheid-in-de-media/helpt-stretchen-spierpijn-voorkomen

Waarom voelt de laatste week van je vakantie zo kort? Over tijd, aandacht en herinneringen

0

Op de eerste ochtend van je vakantie duurt een dag nog een dag. Je wordt wakker zonder te weten hoe laat het is, je ontbijt duurt anderhalf uur, je gaat wandelen, je leest, en om vier uur denk je: is het nog maar vier uur?

En dan, ergens rond dag negen, klapt het dicht. Je bent nog maar net begonnen en er zijn nog drie dagen over. Je koffer ligt al half in je hoofd gepakt. Wat er met die tussenliggende week gebeurd is, weet niemand.

Maar hier wordt het pas echt vreemd. Als je drie weken later terugkijkt op diezelfde vakantie, lijkt ze plots láng. Je hebt zoveel gedaan. Die eerste dag voelt aan alsof hij maanden geleden was. Twee tegengestelde gevoelens over exact dezelfde veertien dagen.

Waarom vliegt de tijd juist als het leuk is?

De Britse schrijfster en psycholoog Claudia Hammond gaf dit een naam: de holiday paradox. Haar verklaring is dat we tijd op twee manieren beleven, en dat die twee tijdens een vakantie uit elkaar gaan lopen.

De eerste manier is prospectief: hoe snel de tijd voelt terwijl hij bezig is. En daar geldt een simpele regel: hoe minder je op de klok let, hoe sneller hij gaat. Op een gewone dinsdag met vier vergaderingen kijk je twintig keer op je horloge. Op vakantie bijna nooit. Je bent bezig met wat er gebeurt in plaats van met hoelang het duurt, en dus is het plots avond.

Ik moet hier wel eerlijk bij zeggen dat de holiday paradox uit een populairwetenschappelijk boek komt, niet uit één experiment dat je kan aanwijzen. Het is een elegante lezing van bestaand onderzoek. Maar iedereen die ooit op vakantie geweest is, herkent hem meteen, en dat telt voor mij ook.

Waarom lijkt diezelfde week achteraf net lang?

De tweede manier is retrospectief: hoe lang een periode voelt als je erop terugkijkt. En daar gebruikt je brein een heel andere maatstaf, namelijk hoeveel afzonderlijke herinneringen je eraan hebt.

Een gewone werkweek levert er weinig op, omdat alle dagen op elkaar lijken. Je herinnert je niet vijf dinsdagen, je herinnert je één samengevatte dinsdag. Een week in een onbekende stad levert er tientallen op: het café waar de koffie tegenviel, de trap die steiler was dan verwacht, de regenbui, het gesprek met die vrouw op de bank.

Je hoofd telt die momenten en concludeert: dat moet lang geduurd hebben.

Dat is de paradox in één zin. Tijdens de vakantie vliegt de tijd omdat je er niet naar kijkt. Achteraf lijkt ze lang omdat je zoveel gezien hebt.

Vertraagt de tijd echt in bijzondere momenten?

Er is een verwant idee dat je vaak hoort: dat de tijd letterlijk vertraagt op intense momenten. Bij een bijna-ongeval, bij een val, bij schrik.

Neurowetenschapper David Eagleman heeft dat getest, en de opzet is heerlijk absurd. Hij liet twintig deelnemers eenendertig meter naar beneden vallen van een toren — bijna twee en een halve seconde vrije val — met een schermpje op hun pols waarop cijfers zo snel wisselden dat je ze normaal niet kan lezen. Als de tijd echt vertraagde, moesten ze die cijfers kunnen zien.

Ze konden het niet. Hun waarneming was niets scherper dan op de grond. Maar toen ze achteraf moesten schatten hoelang hun val geduurd had, schatten ze hun eigen val gemiddeld 36 procent langer dan die van iemand anders.

De tijd vertraagt dus niet in het moment. Je geheugen legt het moment gewoon veel gedetailleerder vast, en achteraf lees je die rijkdom terug als duur. Precies hetzelfde mechanisme als je vakantie, maar dan in tweeënhalve seconde.

Klopt het dat tijd sneller gaat naarmate je ouder wordt?

Dit is het cliché dat elke verjaardag terugkomt, meestal met de uitleg erbij dat een jaar voor een vijftigjarige maar een vijftigste van zijn leven is, en voor een vijfjarige een vijfde.

Die verklaring klinkt mooi. Ze houdt alleen geen stand.

Onderzoekers legden bijna 1.900 mensen tussen zestien en tachtig de vraag voor hoe snel de voorbije week, maand en jaar waren gegaan. De leeftijdsverschillen waren, in hun eigen woorden, verwaarloosbaar klein. Alleen bij de vraag over de laatste tien jaar vonden ze een echt leeftijdseffect, en dat verklaarde nog geen vijf procent van de verschillen tussen mensen.

De wiskundige voorspellingen van de proportionele theorie kwamen bovendien helemaal niet uit. De cijfers die eruit hadden moeten rollen, rolden er niet uit.

En toen kwam het interessantste. De sterkste voorspeller van het gevoel dat de tijd vliegt, was niet leeftijd maar haast. Hoe meer mensen zich opgejaagd voelden in hun dagelijks leven, hoe sneller de tijd voor hen ging — dat verklaarde dubbel zoveel als leeftijd.

Dat zet de hele klacht op zijn kop. Je jaren vliegen niet voorbij omdat je ouder wordt. Ze vliegen voorbij omdat je gehaast bent.

Maakt fotograferen je herinnering beter of slechter?

Ik ben zo iemand die op reis veel te veel foto’s neemt en ze daarna nooit meer bekijkt, dus deze vraag interesseert me persoonlijk.

Het antwoord is helaas dubbel. In één studie kregen studenten een rondleiding in een museum, waarbij ze sommige objecten enkel mochten bekijken en andere mochten fotograferen. Een dag later herinnerden ze zich mínder van de gefotografeerde objecten. De onderzoekster noemde het treffend: als je technologie laat onthouden, onthoud je zelf minder.

Maar er is één detail dat me is bijgebleven. Wie inzoomde op een bepaald detail, verloor dat geheugenvoordeel níet — ook niet voor de delen die buiten het kader vielen. Inzoomen is aandacht. Klikken is dat niet.

En ander onderzoek, met bijna driehonderd deelnemers in echte musea en virtuele galerijen, kwam tot een genuanceerder resultaat: wie foto’s nam had juist een béter visueel geheugen, ook van dingen die ze niet fotografeerden — maar een slechter auditief geheugen. Ze hoorden minder van de audiogids.

De eerlijke conclusie is dus niet dat fotograferen je herinnering verpest. Het stuurt je aandacht naar wat je ziet, en weg van al de rest. Je kiest, of je het beseft of niet.

Waarom je achteraf denkt dat het leuk was

Nog één bevinding die ik niet meer uit mijn hoofd krijg.

Onderzoekers manipuleerden in zeven experimenten de klok waar deelnemers naar keken, zodat mensen dachten dat er meer of minder tijd voorbij was dan in werkelijkheid. Wie geloofde dat de tijd sneller was gegaan dan verwacht, rapporteerde achteraf meer betrokkenheid bij de taak, minder ergernis aan een irritant geluid, en meer plezier aan muziek.

Dezelfde ervaring, alleen een andere klok.

Wij redeneren dus ook achterstevoren: de tijd vloog, dus het zal wel leuk geweest zijn. Dat is een prachtig cadeau van je brein, en het is precies waarom je vakantie in je herinnering waarschijnlijk beter was dan ze op sommige momenten daadwerkelijk aanvoelde. Die ochtend waarop het regende en jullie ruzie hadden over de route — die is er in de eindmontage gewoon uit geknipt.

Hoe ik mijn weken iets breder probeer te maken

Als het aantal onderscheidbare herinneringen bepaalt hoe lang een periode achteraf voelt, dan is de conclusie eenvoudig, ook al is ze niet makkelijk: je maakt je leven langer door het te variëren, niet door het te vullen.

Wat ik daarvan probeer toe te passen is klein. Een andere weg naar het werk, ook al is die drie minuten trager. Op zondag eens naar een dorp waar ik nooit kom in plaats van naar hetzelfde bos. Een keer per maand iets doen waarvan ik vooraf niet zeker weet of ik het leuk ga vinden.

En het omgekeerde ook: minder haasten. Als haast de sterkste voorspeller is van het gevoel dat je jaar voorbijvliegt, dan is trager doen geen luxe maar een manier om je eigen tijd terug te winnen.

Het klinkt tegenstrijdig dat je een week langer maakt door er minder in te proppen. Maar een volle week en een rijke week zijn niet hetzelfde. Een volle week vergeet je. Een rijke week blijft.

De tijd is niet je vijand

Ik denk dat we de laatste dagen van een vakantie zo zwaar maken omdat we ze meten met het verkeerde instrument. We tellen wat er nog rest, in plaats van wat er al is.

En intussen is dat andere systeem, dat van je geheugen, rustig aan het werk. Dat systeem is niet aan het aftellen. Dat is aan het verzamelen.

Over een maand zal die vakantie langer voelen dan ze aanvoelde. Over een jaar nog langer. Dat is geen troostprijs.

Tijd gaat niet snel of traag. Ze gaat gewoon, en jij bepaalt hoeveel je ervan meeneemt.

Bronnen

  1. Claudia Hammond, Time Warped — toelichting bij de holiday paradox — https://www.themarginalian.org/2013/07/15/time-warped-claudia-hammond/
  2. Stetson, Fiesta & Eagleman (2007), Does Time Really Slow Down during a Frightening Event? PLOS ONE — https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371%2Fjournal.pone.0001295
  3. Pariyadath & Eagleman (2007), The Effect of Predictability on Subjective Duration, PLOS ONE — https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371%2Fjournal.pone.0001264
  4. Friedman & Janssen (2010), Aging and the speed of time, Acta Psychologica — https://researchmap.jp/read0153473/published_papers/1402627/attachment_file.pdf
  5. Sackett et al. (2010), You’re Having Fun When Time Flies, Psychological Science — https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/0956797609354832
  6. Association for Psychological Science over Henkel (2014), No Pictures, Please: Taking Photos May Impede Memory of Museum Tour — https://www.psychologicalscience.org/news/releases/no-pictures-please-taking-photos-may-impede-memory-of-museum-tour.html
  7. ScienceDaily over Barasch et al. (2017), Taking photos of experiences boosts visual memory, impairs auditory memory — https://www.sciencedaily.com/releases/2017/06/170626124329.htm
  8. Munawar, Kuhn & Haque (2018), Understanding the reminiscence bump: A systematic review, PLOS ONE — https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371%2Fjournal.pone.0208595

September is het nieuwe januari: waarom gewoontes veranderen nu makkelijker gaat dan in de winter

0

Half januari staat de fitness vol. Eind februari is het er weer rustig. Iedereen kent dat beeld, iedereen maakt er grapjes over, en toch beginnen we massaal opnieuw op 1 januari.

Ondertussen is het half augustus. De vakantie loopt af, over drie weken begint het schooljaar en je agenda begint alweer vol te lopen. Dat voelt als het slechtst denkbare moment om iets aan je gewoontes te veranderen.

Toch is september waarschijnlijk een beter startmoment dan januari. Alleen niet om de reden die je meestal hoort.

Waarom januari eigenlijk een slechte maand is om te beginnen

Begin bij het weer, want dat is het deel waar niemand het over heeft.

In januari heeft Brussel gemiddeld ongeveer acht en een half uur daglicht per dag. De gemiddelde temperatuur in Ukkel ligt op 3,7 graden, en de hele maand samen levert amper 59 uur zonneschijn op. Dat betekent dat je in de praktijk vertrekt en thuiskomt in het donker, en dat elke vorm van bewegen buiten een kwestie is van jezelf overtuigen.

Dat je het dan lastiger hebt, is geen karakterfout. Het is de omstandigheid.

Het fresh start effect: minder stevig dan je denkt

De populaire onderbouwing voor nieuwjaarsvoornemens heet het fresh start effect. Onderzoekers van Wharton toonden in 2014 aan dat mensen vaker aan hun doelen beginnen na een temporele mijlpaal: het begin van een week, een maand, een jaar, of na een verjaardag.

Hun cijfers zijn indrukwekkend. Google-zoekopdrachten naar het woord diet stegen met 82 procent bij het begin van het jaar. Op een website waar mensen contracten met zichzelf afsluiten, steeg het aantal nieuwe contracten met 145 procent. En in de fitnessdata van een universiteit — bijna twaalfduizend studenten — steeg de kans op een bezoek met bijna twaalf procent rond nieuwjaar.

Maar in diezelfde fitnessdata zit een cijfer dat veel minder geciteerd wordt. Het begin van een semester verhoogde de kans op een fitnessbezoek met 47 procent. Terugkomen na een schoolvakantie met 24 procent. Allebei fors meer dan nieuwjaar.

Nu de eerlijkheid erbij, want die hoort erbij. Dat onderzoek bestaat uit observationele archiefgegevens, niet uit experimenten. Dat er in januari meer naar diëten wordt gezocht, kan net zo goed komen door de feestdagen, de vakantie of de reclamecampagnes die dan losbarsten. En de enige recente onafhankelijke toets die ik vond — een onderzoek uit 2025 bij 362 deelnemers — vond geen bewijs voor fresh-starteffecten op de meeste kenmerken van doelen.

Het idee dat een symbolische datum je motiveert, is dus een aantrekkelijk verhaal met een dunnere basis dan je zou verwachten. Gelukkig heeft september een argument dat je niet nodig hebt te geloven.

Wat er wél hard is: vier uur meer licht per dag

September geeft Brussel gemiddeld ongeveer twaalf uur en drie kwartier daglicht. Dat is ruim vier uur meer per dag dan in januari, ofwel de helft erbij.

De gemiddelde temperatuur in Ukkel ligt in september op 15,2 graden tegenover 3,7 in januari — een verschil van bijna twaalf graden. En de maand levert ruim 154 uur zonneschijn op, tegenover 59 in januari. Twee en een half keer zoveel.

Dat is geen psychologie. Dat is gewoon de lucht boven je hoofd. En het bepaalt of je na het avondeten nog buiten geraakt of niet.

En dat zie je terug in hoeveel mensen bewegen

Dit is niet alleen een gevoel. Het is gemeten, en met bewegingsmeters in plaats van vragenlijsten.

In een Brits onderzoek droegen ruim vierduizend oudere volwassenen een accelerometer, goed voor meer dan 27.000 gemeten dagen. Op de kortste dagen van het jaar — minder dan 9,3 uur daglicht — zaten mensen twintig minuten per dag langer stil dan op de langste dagen. Op de koudste dagen, onder de tien graden, zaten ze eveneens ongeveer twintig minuten langer stil dan op dagen boven de negentien graden, en bewogen ze tien tot elf minuten minder. Regen kostte nog eens acht minuten.

Een Zweeds onderzoek dat twee jaar lang stappen bijhield bij honderdtwintig mensen, vond ruim duizend stappen per dag verschil tussen mei en januari. Een systematische review van 26 studies met samen negenduizend deelnemers in achttien landen kwam tot dezelfde conclusie: mensen bewegen consistent meer in de zomer en het najaar dan in de winter, en zitten in de winter langer stil.

De kanttekening: dat Britse onderzoek ging over vijfenzestigplussers, en dat Zweedse over mensen met prediabetes. Het zijn illustraties, geen Belgische bevolkingscijfers. Maar de richting is in élk onderzoek dezelfde.

Faalt tachtig procent van de voornemens? Dat cijfer bestaat niet

Je hebt het ongetwijfeld gelezen: tachtig procent van de goede voornemens sneuvelt tegen februari. Ik heb naar de oorspronkelijke bron gezocht en die is er niet. Het cijfer circuleert al jaren van artikel naar artikel zonder dat iemand naar een onderzoek verwijst. Ook de zogenaamde Quitter’s Day rond 12 januari komt niet uit wetenschappelijk onderzoek, maar uit de gebruiksdata van een sportapp.

Wat er wél is: een Zweeds experiment met ruim duizend deelnemers dat een jaar lang volgde hoe het met hun nieuwjaarsvoornemens ging. Na twaalf maanden beschouwde 55 procent zichzelf als geslaagd.

Dat is een stuk hoopvoller dan het cliché. Al hoort er ook hier een nuance bij: het gaat om zelfrapportage bij mensen die zich vrijwillig aanmeldden voor een studie over voornemens, dus dat is waarschijnlijk een bovengrens.

Hoelang duurt het echt voor iets een gewoonte wordt?

Eenentwintig dagen, zegt het internet. Dat getal komt van een plastisch chirurg die in de jaren zestig opmerkte dat zijn patiënten ongeveer drie weken nodig hadden om te wennen aan hun nieuwe gezicht. Het ging dus niet over gewoontes, en het is nooit onderzocht als zodanig — iets wat in een artikel voor huisartsen in 2012 expliciet werd rechtgezet.

Het bekendste echte cijfer is 66 dagen, uit een Brits onderzoek waarin deelnemers twaalf weken lang een nieuwe dagelijkse gewoonte probeerden op te bouwen. De spreiding was enorm: van achttien tot 254 dagen. En eerlijk is eerlijk, ook dat onderzoek is fragieler dan het lijkt — de mediaan van 66 dagen komt van 39 deelnemers, en alles boven de 84 dagen is een berekende schatting, want zo lang duurde de studie.

Een recentere overzichtsstudie van twintig onderzoeken met samen 2.601 deelnemers komt in dezelfde buurt: een mediaan tussen 59 en 66 dagen, een gemiddelde dat een stuk hoger ligt, en een spreiding van vier tot 335 dagen. Bewegen duurt daarbij ongeveer anderhalf keer langer dan een gewoonte rond eten of drinken.

Reken dus niet op drie weken. Reken op twee tot drie maanden, en op grote verschillen tussen mensen. Wie in september begint, zit ergens in november op automatische piloot. Dat is precies op tijd om de donkere maanden in te gaan met iets dat al staat.

Waarom “als X, dan Y” beter werkt dan “ik ga meer bewegen”

Van alle technieken die je kan toepassen, is er één met stevig bewijs en nul kostprijs: de implementatie-intentie. Je legt vooraf vast wanneer, waar en hoe je iets gaat doen, in de vorm van een als-dan-zin. Niet “ik ga meer wandelen”, maar “als ik mijn laptop dichtklap, trek ik mijn schoenen aan en loop ik het blok rond”.

Een meta-analyse van 94 toetsen vond daar een medium tot groot effect voor, en het effect was het grootst op precies het moeilijkste deel: niet ontsporen onderweg.

Voor sporten specifiek is het effect wel kleiner. Een analyse van 26 studies over fysieke activiteit kwam uit op een klein tot medium effect, dat bij de opvolging nog wat verder terugliep. Het is dus geen wondermiddel. Maar het kost je één zin op papier.

Wat volgens het recente overzichtsonderzoek ook meespeelt: gewoontes in de ochtend en gewoontes die je zelf gekozen hebt, zetten zich sterker vast. En de populaire techniek van habit stacking — je nieuwe gewoonte vastklikken aan een bestaande — is een marketingterm, geen onderzoeksterm. In het enige experiment dat routine-ankers en tijd-ankers rechtstreeks vergeleek, was er geen verschil tussen de twee. Wat wél telde, was hoe vaak mensen hun plan effectief uitvoerden.

Kies iets wat je gaat doen, niet iets wat je laat

In datzelfde Zweedse voornemensonderzoek zat een van de bruikbaarste bevindingen van allemaal.

Deelnemers met een doel dat naar iets toe werkte — meer wandelen, meer groenten, twee keer per week zwemmen — slaagden in bijna 59 procent van de gevallen. Deelnemers met een doel dat iets wegnam — stoppen met snoepen, minder scrollen, geen alcohol meer — slaagden in 47 procent. Dat verschil was statistisch significant.

Herformuleer je voornemen dus. “Minder snoepen” wordt “elke dag fruit bij mijn lunch”. “Minder op mijn gsm” wordt “elke avond een halfuur lezen”. Zelfde richting, andere formulering, meetbaar meer kans.

Koppel het aan iets dat je graag doet

Een van de leukste experimenten uit dit hele domein is dat van de gegijzelde luisterboeken. Onderzoekers gaven deelnemers verslavende audioboeken die ze alléén in de fitness mochten beluisteren. Wie die regel volledig kreeg opgelegd, ging 51 procent vaker sporten.

Het idee heet temptation bundling: je koppelt iets wat je moet doen aan iets waar je naar uitkijkt. De podcast die je alleen tijdens het wandelen luistert, de serie die alleen op de hometrainer mag.

Ook hier de eerlijke nuance: het effect nam met de tijd af, en het zakte vooral in nadat een vakantieperiode de routine had onderbroken. Wat dus meteen het volgende punt is.

agenda rust in je dag

Eén gemiste dag is geen mislukking

Dit is waar de meeste mensen afhaken, en het is zo onnodig.

In het Britse gewoonteonderzoek keken de wetenschappers expliciet naar wat er gebeurt als je één dag overslaat. Het antwoord: bijna niets. De automaticiteit lag de dag erna verwaarloosbaar lager, en er was geen enkel effect op langere termijn.

Wat wél schade doet, is je reactie erop. Psychologen beschreven al in de jaren zeventig hoe mensen die op dieet waren en één keer de regel braken, daarna méér gingen eten dan mensen zonder dieet — het wat-maakt-het-nog-uit-effect. De misstap is het probleem niet. De conclusie die je eraan verbindt wel.

En daar is nog een prachtige bevestiging voor. In het grootste gedragsonderzoek ooit — ruim 61.000 leden van een fitnessketen, 53 verschillende interventies naast elkaar getest — was de allerbeste ingreep een bonus voor wie terugkwam ná een gemiste training. Niet voor wie perfect was. Voor wie terugkwam.

Uit datzelfde onderzoek komt trouwens de nuchterste les van dit hele artikel: tien weken na afloop was nog maar ongeveer acht procent van die interventies significant beter dan niets doen. Er bestaat geen truc. Er bestaat alleen herhaling.

Het addertje: september breekt ook gewoontes af

Nog één ding, en het is de reden waarom dit artikel geen loflied op september is.

Dezelfde onderzoekers die het fresh start effect beschreven, wezen er later op dat mijlpalen ook kunnen tegenwerken. Een mijlpaal die je omgeving verandert — een nieuw uurrooster, een schooljaar, een verhuis — haalt de aanknopingspunten weg die je bestaande goede gewoontes in gang zetten. Het joggen dat in juli vanzelf ging omdat je om zes uur klaar was met werken, verdwijnt in september omdat je dan aan de schoolpoort staat.

Bescherm dus eerst wat al werkt, voor je er iets nieuws bij zet. Kijk concreet naar wat je in juli en augustus wél deed, en zoek voor elk daarvan een nieuw moment in je najaarsweek.

En nog iets: uit onderzoek blijkt dat mensen in de aanloop naar een mijlpaal juist mínder doen, omdat ze het onbewust doorschuiven naar hun toekomstige zelf. Die verloren dagen worden daarna niet ingehaald. Wachten tot 1 september is dus precies de verkeerde beweging.

Je hoeft niet op januari te wachten

De psychologie achter het idee van een nieuwe start is dunner dan de spreuk doet vermoeden. Wat overblijft, is banaal en betrouwbaar: het is licht, het is warm, er is twee en een half keer zoveel zon als in januari, en je routine ligt de komende weken toch al overhoop.

Kies dus één ding. Niet vier. Formuleer het als iets wat je gaat doen in plaats van iets wat je laat. Hang er een vast moment aan, in de vorm van een als-dan-zin. En reken op tien weken in plaats van drie.

Je hoeft er geen symbolische datum voor te hebben. Dinsdag is ook goed.

Bronnen

Terug aan het werk na de vakantie: hoe hou je dat vakantiegevoel langer dan drie dagen vast?

0

Twee weken vakantie klinkt als genoeg om een heel jaar op te teren. Je slaapt uit, je eet trager, je hoofd wordt stiller en ergens rond dag vijf denk je: zo zou het altijd moeten zijn.

En dan is het maandag. Je zet je laptop aan, je ziet driehonderd mails, iemand vraagt of je ‘even snel’ iets kan bekijken, en tegen woensdagavond voelt die hele vakantie aan als iets wat een andere persoon heeft meegemaakt. Klassieker.

Het frustrerende is dat je jezelf daar dan ook nog eens schuldig over voelt. Je hebt net vrij gehad, je zou toch uitgerust moeten zijn? Het goede nieuws is dat er weinig mis is met jou. Wat je voelt is een van de best gedocumenteerde effecten uit het arbeidspsychologisch onderzoek, en het heeft zelfs een naam.

Waarom dat vakantiegevoel zo snel verdampt

Onderzoekers noemen het het fade-out effect. In 2009 bundelden Nederlandse wetenschappers alle bruikbare studies over vakantie en gezondheid, en het patroon was pijnlijk duidelijk: vakantie doet je meetbaar goed, en dat effect verdwijnt bijna net zo snel als het gekomen is zodra je weer aan het werk gaat.

De recentste en grootste analyse dateert van 2023. Onderzoekers bundelden dertien studies met samen 1.428 werknemers en een gemiddelde vakantieduur van elf dagen. Hun conclusie: het welzijnseffect van vakantie is reëel, maar bescheiden, en na de eerste week terug op het werk verschilde het welzijn van de deelnemers niet meer significant van hun niveau vóór de vakantie.

Een eerdere Nederlandse studie volgde 96 werknemers rond een wintersportvakantie, met tien meetmomenten over zeven weken. Tijdens de vakantie waren de effecten groot: stemming, spanning en tevredenheid verbeterden allemaal fors. Vijf van de zes gemeten indicatoren waren binnen de eerste werkweek al terug op het uitgangsniveau.

Dus nee, je verbeeldt het je niet. Eén week. Dat is ongeveer wat je krijgt.

Het goede nieuws: de duur van je vakantie is niet het probleem

De eerste reflex is meestal: dan moet ik gewoon langer weg. Drie weken in plaats van twee. Een maand, als het even kan.

Dat lijkt logisch, maar de cijfers steunen het niet. In diezelfde analyse van 2023 bleek vakantieduur geen significante voorspeller te zijn van hoe groot of hoe blijvend het effect was. Ook niet het type job, ook niet of je een man of een vrouw bent. De onderzoekers bevelen daarom net het omgekeerde aan van wat de meeste mensen doen: liever regelmatig kortere periodes vrij over het jaar gespreid dan één lange blok in juli.

Je hoort weleens dat acht dagen de ideale vakantielengte zou zijn, omdat het welzijn in één studie precies daar piekte. Dat is een aanwijzing, geen wet. Die studie telde 54 deelnemers en keek uitsluitend naar lange vakanties van vijftien dagen en meer. Leuk om te weten, niet iets om je verlofplanning op te bouwen.

Wat wél uit datzelfde onderzoek kwam, is een stuk bruikbaarder.

Wat het effect wél verlengt: hoe je je vakantie beleeft

Niet wát je doet blijkt bepalend, maar hóe je het beleeft. De sterkste voorspellers van zowel de kracht als de duur van het vakantie-effect waren plezier, ontspanning, het gevoel dat je zelf controle had over je dagen, en savoring: het bewust stilstaan bij iets aangenaams terwijl het gebeurt.

Dat laatste klinkt vaag, maar het is heel concreet. Het verschil tussen een terras waar je zit te scrollen en een terras waar je vijf minuten gewoon kijkt naar wat er passeert, is precies dat. Niet het terras. De aandacht.

Eén ding kwam er trouwens uit als een uitschieter: slaap. Hoe beter mensen sliepen tijdens hun vakantie, hoe sterker hun welzijn verbeterde. Als je één ding meeneemt naar je volgende reis, laat het dat zijn.

En het goede daaraan is dat je die drie ingrediënten — plezier, ontspanning, controle — ook thuis kan organiseren. In veel kleinere porties, maar wel elke week.

Plan je eerste werkdag alsof het een landing is

De klassieke fout is thuiskomen op zondagavond en maandagochtend om acht uur weer beginnen, met een agenda die al vol stond voor je vertrok.

Als je het kan regelen: kom een dag vroeger thuis en hou die dag leeg. Uitpakken, was draaien, boodschappen, vroeg slapen. Niet omdat het gezellig is, maar omdat je op die manier niet meteen twee overgangen tegelijk moet verwerken.

Voor de eerste werkdag zelf is er een verrassend concreet onderzoeksresultaat. Wetenschappers volgden 151 werknemers over 620 werkdagen en keken naar wat ze morning reattachment noemen: ’s ochtends even bewust de verbinding met je werk herstellen vóór je begint. Nadenken over wat je die dag wil bereiken, wie je gaat spreken, waar je zin in hebt. Mensen die dat deden, waren die dag meetbaar meer betrokken bij hun werk.

Het kost vijf minuten en je kan het doen terwijl je koffiezet. Blokkeer daarnaast je eerste voormiddag voor je mailbox alleen, en zeg dat ook tegen je collega’s. Verwachtingen managen is de helft van het werk.

Waarom de weken ná je vakantie belangrijker zijn dan de vakantie zelf

Hier zit de kern van de zaak, en het is meteen het minst leuke deel van het antwoord.

Onderzoekers volgden 131 leerkrachten rond een vakantie van twee weken, met vier meetmomenten. Het vakantie-effect was binnen de maand verdwenen, en emotionele uitputting steeg significant tussen week twee en week vier na de terugkeer. De sterkste voorspeller van hoe snel dat gebeurde was tijdsdruk op het werk.

Met andere woorden: hoe je vakantie uitpakt wordt voor een groot deel bepaald door de weken die erna komen. Een vakantie is geen buffer die je oplaadt en dan langzaam leegdraait. Het is meer een pauzeknop, en zodra je hem loslaat, telt gewoon weer hoe je dagen eruitzien.

Dat is confronterend, maar het is ook bevrijdend. Het betekent dat je er in september nog iets aan kan doen. Je hoeft niet te wachten op je volgende reis.

Leer afschakelen — en dan bedoel ik echt afschakelen

Als er één hefboom is die stevig onderbouwd is, is het deze. Psychologische detachment: het vermogen om buiten je werkuren mentaal echt lós te komen van je werk. Niet alleen je laptop dichtklappen, maar er ook niet meer aan denken.

Een grote analyse van 86 publicaties met samen ruim 38.000 werknemers vond consistente verbanden: mensen die goed konden afschakelen, hadden minder burn-outklachten, minder vermoeidheid, meer welzijn, betere slaap en een hogere levenstevredenheid. En omgekeerd: werkgerelateerde bezigheden in je vrije tijd ondermijnen dat afschakelen rechtstreeks.

Wat dat concreet betekent, weet je waarschijnlijk al. Je mail ’s avonds nog eens openen. In bed nog snel iets nakijken. In het weekend ‘even’ iets afwerken. Elk van die dingen zorgt ervoor dat je hoofd de hele tijd op halve kracht aan het werk blijft. Plan af en toe een digitale detox in!

Eerlijk: dit is moeilijker dan het klinkt, zeker als je werk je graag doet. Maar het is de enige interventie in dit hele artikel waar het bewijs echt sterk voor is.

Wat je die eerste week beter niet doet

Er zijn een paar klassiekers die het fade-out effect versnellen in plaats van afremmen, en de meeste mensen doen er minstens twee van.

De eerste is je vakantie inhalen door harder te werken. Het idee dat je ‘achterstand’ hebt opgelopen en die nu in twee weken moet wegwerken, is precies de tijdsdruk waarvan we weten dat ze uitputting versnelt. Je bent niet achter. Er is gewoon werk blijven liggen, zoals er ook werk blijft liggen tijdens een gewone week.

De tweede is je hele agenda meteen weer volplannen omdat je ’toch uitgerust bent’. Dat gevoel klopt op de eerste maandag en niet meer op de tweede. Plan de eerste twee weken bewust iets rustiger dan wat je aankan, en niet iets voller.

De derde is het meest sluipende: je vakantiegewoontes meteen laten vallen. Op reis wandelde je elke dag, at je trager, ging je vroeger slapen en keek je nauwelijks op je telefoon. Binnen vier dagen is daar meestal niets meer van over. Kies er één uit — één, niet vier — en hou die vast. Meestal is dat de wandeling.

En dan is er nog de vakantiefoto’s-val. Terugkijken naar wat je gedaan hebt is aangenaam en het helpt om je vakantie te verankeren. Elke avond een halfuur scrollen door beelden van een strand terwijl het buiten regent, is iets anders. Dan hou je jezelf vast aan iets dat voorbij is in plaats van iets op te bouwen dat er nog aankomt.

Kleine pauzes: nuttig, maar niet wat je denkt

Microbreaks zijn de laatste jaren populair geworden, en er is inderdaad onderzoek naar. Een analyse van 22 steekproeven met samen 2.335 deelnemers keek naar pauzes van acht seconden tot tien minuten.

Het resultaat is genuanceerd. Korte pauzes verhoogden meetbaar de energie en verlaagden de vermoeidheid. Het effect op prestatie was daarentegen klein en niet significant — en hoe langer de pauze, hoe groter dat effect werd. De onderzoekers besluiten zelf dat herstellen van echt uitputtend werk waarschijnlijk méér dan tien minuten vraagt.

Dus: neem die pauzes, maar verkoop ze jezelf niet als productiviteitstruc. Ze zorgen ervoor dat je je minder afgemat voelt. Dat is al veel.

Spreid je verlof, en bewaar het niet tot december

Als het effect van een vakantie ongeveer een week meegaat, dan is de conclusie logisch: je haalt meer uit vier keer vier dagen dan uit één keer zestien.

In België heb je bij een voltijdse vijfdagenweek recht op twintig wettelijke vakantiedagen, en veel mensen hebben daarbovenop extralegale dagen of inhaalrust. Er is geen enkele reden om die op te sparen tot het jaar bijna om is.

Een lang weekend eind september. Een dag ergens midden oktober zonder plannen. Twee dagen in november waarop je niets moet. Het klinkt minder aantrekkelijk dan drie weken Zuid-Frankrijk, maar de kans is groot dat het je meer oplevert.

Wanneer het meer is dan een dipje

Je hoort weleens de term post-vacation blues. Ik gebruik hem hier bewust niet als diagnose, want dat is het niet: er bestaat geen gevalideerde definitie en geen betrouwbaar prevalentiecijfer voor. Het is een beschrijving van een gevoel dat veel mensen herkennen, meer niet.

Wat wél gedocumenteerd is, is hoe vaak werkgerelateerde uitputting in België ernstig wordt. Eind 2023 zaten meer dan een half miljoen mensen in invaliditeit. Bij ruim een derde daarvan lag een psychische aandoening aan de basis, en van die groep had bijna zeventig procent een depressie of burn-out. Het aantal Belgen onder de 34 dat langer dan een jaar thuiszit met een van beide steeg in vijf jaar tijd met meer dan zestig procent.

Het verschil tussen een dip en iets ernstigers zit niet in hoe zwaar het aanvoelt, maar in hoelang het duurt en of het beter wordt. Voel je je na drie of vier weken nog altijd leeg, slaap je slecht, heb je nergens nog zin in? Dan is dat geen kwestie van beter plannen. Praat erover met je huisarts.

Je hoeft je vakantie niet te laten duren

Er zit iets vermoeiends in het idee dat je je vakantiegevoel moet ‘vasthouden’, alsof het iets is dat je door je vingers laat glippen als je niet oplet. Dat maakt van rust nóg een prestatie.

De eerlijkere versie: een vakantie doet je goed zolang ze duurt en nog ongeveer een week daarna. Dat is geen mislukking, dat is gewoon hoe het werkt. Wat je er wél uit kan meenemen, is de vraag waarom die dagen zo goed voelden. Meestal is het antwoord: minder haast, meer slaap, meer zelf beslissen wat je doet.

Die drie dingen kan je in september ook hebben. In kleinere porties, en zonder koffer.

Bronnen

  1. de Bloom et al. (2009), Do We Recover from Vacation? Meta-analysis of Vacation Effects on Health and Well-being, Journal of Occupational Health — https://academic.oup.com/joh/article/51/1/13/7270123
  2. Speth, Wendsche & Wegge (2023), We Continue to Recover Through Vacation! Meta-Analysis of Vacation Effects on Well-Being and Its Fade-Out, European Psychologist — https://econtent.hogrefe.com/doi/10.1027/1016-9040/a000518
  3. de Bloom et al. (2010), Effects of vacation from work on health and well-being: Lots of fun, quickly gone, Work & Stress — https://kops.uni-konstanz.de/bitstreams/a16de54a-ab24-4489-9491-a4fe045abadf/download
  4. de Bloom, Geurts & Kompier (2013), Vacation (after-)effects on employee health and well-being, Journal of Happiness Studies — https://link.springer.com/article/10.1007/s10902-012-9345-3
  5. Kühnel & Sonnentag (2011), How long do you benefit from vacation? Journal of Organizational Behavior — https://onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1002/job.699
  6. Wendsche & Lohmann-Haislah (2017), A Meta-Analysis on Antecedents and Outcomes of Detachment from Work, Frontiers in Psychology — https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC5233687
  7. Albulescu et al. (2022), Give me a break! A systematic review and meta-analysis on the efficacy of micro-breaks, PLOS ONE — https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371%2Fjournal.pone.0272460
  8. Sonnentag, Eck, Fritz & Kühnel (2020), Morning Reattachment to Work and Work Engagement During the Day, Journal of Management — https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/0149206319829823
  9. VRT NWS op basis van RIZIV-cijfers (2025), Langdurig zieken door depressie en burn-out — https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/06/03/depressie-burn-out-riziv-gestegen/